
Achtergrond & wetenschap
Hechting, basisvertrouwen en herstel
Waarom ontwikkelt de één relatief gemakkelijk vertrouwen in zichzelf en anderen, terwijl de ander sneller onzeker wordt, zich terugtrekt, controle zoekt of sterk afhankelijk wordt van bevestiging?
Onderzoek naar hechting, stressregulatie, emotieregulatie en neuroplasticiteit helpt om een deel daarvan te begrijpen.
Op deze pagina vind je cijfers, wetenschappelijke achtergrond en onderzoek naar processen die raken aan wat ik op deze website basisvertrouwen noem.
Basisvertrouwen is daarbij geen officiële diagnose of afzonderlijke wetenschappelijke meetvariabele. Ik gebruik het als een overkoepelend begrip voor het vermogen om jezelf te kunnen dragen, emoties te reguleren, je eigen waarde te blijven ervaren en in verbinding te kunnen zijn zonder jezelf kwijt te raken.
Cijfers en achtergrond
Onveilige hechting komt veel voor
Grote onderzoeken naar volwassen hechtingsrepresentaties laten zien dat veilige hechting weliswaar het meest voorkomt, maar dat een aanzienlijk deel van volwassenen als onveilig of onopgelost wordt geclassificeerd.
In een grote synthese van meer dan 26.000 Adult Attachment Interviews werd in een niet-klinische referentiegroep ongeveer:
53% veilig/autonoom
22% vermijdend/dismissing
8% gepreoccupeerd
17% onopgelost ten aanzien van verlies of trauma
gevonden.
Deze percentages verschillen per populatie, meetmethode en onderzoeksgroep. Ze laten vooral zien dat onveiligheid in hechtingsrepresentaties geen uitzonderlijk verschijnsel is.
Bron: Van IJzendoorn e.a. (2024), Celebrating more than 26,000 Adult Attachment Interviews.
Hechting en emotieregulatie
Onveilige hechting betekent niet automatisch dat iemand psychische klachten ontwikkelt.
Wel laat onderzoek zien dat hechtingsrepresentaties samenhangen met de manier waarop mensen spanning en emoties reguleren.
Een systematische review uit 2023 bundelde 37 studies met in totaal 2.006 deelnemers. Daarbij werd gekeken naar onder andere het autonome zenuwstelsel, hersenactiviteit, biochemische reacties en non-verbaal gedrag.
Veilige hechtingsrepresentaties hingen gemiddeld samen met meer evenwichtige emotieregulatie. Bij vermijdende hechtingsrepresentaties kon emotionele spanning bijvoorbeeld lichamelijk aanwezig blijven terwijl deze aan de buitenkant minder zichtbaar werd.
Bij onopgeloste hechtingsrepresentaties werden vaker ontregelde reacties gevonden.
Bron: Eilert & Buchheim (2023), Attachment-Related Differences in Emotion Regulation in Adults: A Systematic Review on Attachment Representations.
Onveilige hechting en psychische klachten
De relatie tussen hechting en psychische klachten is complex. Onveilige hechting betekent niet automatisch dat iemand angst, depressie of andere psychische klachten ontwikkelt, en verschillende hechtingspatronen hangen niet op dezelfde manier met klachten samen.
Een meta-analyse van 53 studies met in totaal 4.970 deelnemers liet bijvoorbeeld zien dat vooral gepreoccupeerde hechtingsrepresentaties samenhingen met meer angstklachten. Voor vermijdende of dismissing hechtingsrepresentaties was die samenhang veel minder duidelijk.
Daarom is het te eenvoudig om te stellen dat onveilige hechting rechtstreeks angst of depressie veroorzaakt. Hechting vormt eerder één van meerdere factoren die kunnen bijdragen aan kwetsbaarheid of juist veerkracht, in samenhang met onder andere temperament, stress, sociale omgeving, latere relaties en andere levenservaringen.
Dit sluit aan bij breder onderzoek naar hechting en emotieregulatie: niet alleen de classificatie van hechting is relevant, maar vooral ook hoe iemand spanning, nabijheid, afwijzing en emoties leert reguleren.
Wil je meer lezen over de mogelijke invloed van vroege onveiligheid op stressregulatie, het zenuwstelsel en lichamelijke gezondheid? Lees dan ook mijn artikel ‘De verborgen biologische gevolgen van onveilige hechting’.
Bron: Dagan, O. e.a. (2020). Preoccupied and Dismissing Attachment Representations Are Differentially Associated With Anxiety in Adolescence and Adulthood: A Meta-Analysis.
KOPP/KOV: een grote groep kinderen
In Nederland groeit een grote groep kinderen op met een ouder met psychische problemen en/of een verslaving.
Volgens actuele cijfers van het Trimbos-instituut behoren ongeveer 900.000 thuiswonende kinderen tot en met 17 jaar tot de KOPP/KOV-groep.
Dat is ongeveer 27,9% van alle thuiswonende kinderen in Nederland.
Binnen deze groep:
44% heeft een ouder met twee of meer psychische aandoeningen.
13% heeft een ouder met een alcohol- of drugsstoornis.
7% heeft een ouder met zowel psychische problematiek als een alcohol- of drugsstoornis.
KOPP/KOV betekent niet automatisch dat een kind onveilig gehecht raakt of later psychische problemen ontwikkelt.
Wel kunnen factoren zoals onvoorspelbaarheid, emotionele afwezigheid, wisselende beschikbaarheid, parentificatie of chronische spanning invloed hebben op de ontwikkeling van veiligheid en emotieregulatie.
Bron: Trimbos-instituut, KOPP/KOV – Feiten en cijfers, actuele cijfers 2026.
Stressregulatie en het autonome zenuwstelsel
Wanneer iemand herhaaldelijk wordt blootgesteld aan spanning of onvoorspelbaarheid, kunnen stressreacties gevoeliger of hardnekkiger worden.
Dat kan zich later bijvoorbeeld uiten in:
verhoogde waakzaamheid
moeite met ontspannen
sterke reacties op afwijzing
terugtrekken
controle zoeken
snel overspoeld raken
juist weinig voelen of gevoelens onderdrukken
Binnen de polyvagaaltheorie beschrijft Stephen Porges hoe het autonome zenuwstelsel voortdurend informatie uit de omgeving verwerkt die samenhangt met veiligheid en dreiging.
De polyvagaaltheorie is invloedrijk binnen lichaamsgerichte en traumagerichte benaderingen, maar niet alle onderdelen ervan zijn onomstreden. Daarom gebruik ik haar vooral als klinisch denkkader en niet als volledige verklaring van menselijk gedrag.
Bronnen: Porges (2011); Eilert & Buchheim (2023).
Neurobiologie en hechting
Vroege relationele ervaringen zijn niet alleen psychologisch van betekenis.
Tijdens de ontwikkeling worden hersennetwerken en stressregulerende systemen mede gevormd door ervaringen met de omgeving.
Dat betekent niet dat één moeilijke jeugdervaring het zenuwstelsel permanent 'programmeert'.
Ontwikkeling ontstaat uit een samenspel van biologische aanleg, omgeving, relaties en latere ervaringen.
Onderzoek naar hechting en emotieregulatie laat wel zien dat verschillen in hechtingsrepresentaties samenhangen met verschillen in autonome, hormonale en neurale reacties op emotionele belasting.
Bronnen: Eilert & Buchheim (2023); Feldman (2017); Schore (2012).
Intergenerationele invloed
Ook intergenerationele overdracht krijgt steeds meer aandacht.
Er zijn aanwijzingen dat ernstige stress en trauma niet alleen psychologisch en relationeel, maar mogelijk ook via biologische en epigenetische processen invloed kunnen hebben op volgende generaties.
Bij mensen is dit onderzoeksgebied echter complex.
Het is daarom zorgvuldiger om te spreken van aanwijzingen voor intergenerationele biologische samenhang dan van rechtstreeks bewijs dat trauma simpelweg genetisch of epigenetisch wordt 'doorgegeven'.
Bron: Yehuda & Lehrner (2018), Intergenerational transmission of trauma effects: putative role of epigenetic mechanisms.
Waarom inzicht alleen niet altijd genoeg is
Veel mensen begrijpen rationeel heel goed waar hun patronen vandaan komen.
Toch kunnen ze in het moment automatisch opnieuw hetzelfde doen.
Je weet bijvoorbeeld dat iemand je niet afwijst, maar voelt toch paniek.
Je weet dat je een grens mag aangeven, maar zegt automatisch ja.
Je begrijpt dat je waarde niet afhankelijk is van prestaties, maar voelt je toch onvoldoende wanneer iets mislukt.
Dat komt mede doordat emotionele reacties niet alleen uit bewuste gedachten bestaan.
Ook lichamelijke reacties, aangeleerde verwachtingen, aandacht, emotioneel geheugen en automatische actietendensen spelen mee.
Daarom vraagt verandering vaak om meer dan alleen begrijpen.
Neuroplasticiteit: vroeg gevormd betekent niet onveranderlijk
Een belangrijk onderdeel van herstel is neuroplasticiteit.
Neuroplasticiteit is het vermogen van het zenuwstelsel om zich structureel en functioneel aan te passen aan ervaring, leren en veranderende omstandigheden.
Die plasticiteit is het sterkst tijdens de ontwikkeling, maar verdwijnt niet wanneer we volwassen worden.
Ook in het volwassen brein blijven neurale verbindingen veranderen onder invloed van ervaring en leren.
Dat betekent niet dat ieder vroeg patroon eenvoudig kan worden 'gewist'.
Wel betekent het dat vroeg gevormde patronen niet automatisch levenslang vastliggen.
Nieuwe ervaringen, herhaling en nieuw gedrag kunnen bestaande netwerken en verwachtingen beïnvloeden.
Correctieve ervaringen en herstel
Verandering ontstaat niet alleen doordat iemand iets nieuws begrijpt.
Ook nieuwe ervaringen kunnen belangrijk zijn.
Binnen psychotherapie wordt daarvoor al lange tijd het begrip corrective emotional experience gebruikt.
Een oude verwachting kan bijvoorbeeld zijn:
Als ik een grens stel, raak ik de ander kwijt.
Een nieuwe ervaring kan vervolgens zijn:
Ik stel een grens en de relatie blijft bestaan.
Of:
Wanneer ik laat zien dat ik kwetsbaar ben, word ik afgewezen.
en vervolgens:
Ik laat iets moeilijks zien en word serieus genomen.
Dergelijke ervaringen kunnen bestaande verwachtingen over jezelf en anderen uitdagen en geleidelijk aanvullen.
De therapeutische relatie speelt daarbij vaak een belangrijke rol. Onderzoek naar de therapeutische alliantie laat zien dat samenwerking, vertrouwen en een gevoel van veiligheid samenhangen met betere behandeluitkomsten.
Een correctieve ervaring betekent overigens niet dat een therapeut simpelweg 'opnieuw gaat opvoeden'. Het gaat eerder om nieuwe ervaringen waarin oude verwachtingen niet automatisch worden bevestigd.
Bronnen: Steindl e.a. (2023), The interplay between therapeutic relationship and therapeutic technique; overzicht onderzoek therapeutische alliantie en attachment-informed psychotherapy.
Van automatische bescherming naar meer keuze
Wanneer iemand vroeg heeft geleerd dat nabijheid, afhankelijkheid of kwetsbaarheid risico's met zich meebrengen, kunnen beschermingsstrategieën ontstaan.
Bijvoorbeeld:
aanpassen
pleasen
controleren
perfectionisme
bevestiging zoeken
terugtrekken
gevoelens onderdrukken
niemand nodig willen hebben
Dergelijke strategieën kunnen ooit zinvol zijn geweest.
Later kunnen ze automatisch actief blijven, zelfs wanneer de oorspronkelijke omstandigheden niet meer bestaan.
Herstel betekent daarom niet dat deze delen van jezelf moeten verdwijnen.
Het gaat er eerder om dat je ze leert herkennen, begrijpen en reguleren, zodat er meer ruimte ontstaat om bewust te kiezen.
Positieve ontwikkeling en herstel
Vroege ervaringen zijn belangrijk, maar ze leggen de ontwikkeling niet definitief vast.
Positieve ontwikkeling kan onder andere worden ondersteund door:
een stabiele en betrouwbare partnerrelatie;
een steunende vriend, familielid of andere belangrijke ander;
een veilige therapeutische relatie;
een responsieve ouder of andere verzorger;
een stabielere leefomgeving;
leren grenzen herkennen en aangeven;
nieuwe ervaringen van wederkerigheid;
het leren reguleren van spanning;
het ervaren dat kwetsbaarheid niet automatisch leidt tot afwijzing.
Onderzoek bij kinderen laat zelfs zien dat veranderingen in de kwaliteit van zorg kunnen samengaan met veranderingen in biologische stressregulatie.
In gerandomiseerd onderzoek naar de Attachment and Biobehavioral Catch-up (ABC)-interventie werden ouders en verzorgers ondersteund om sensitiever en responsiever op jonge kinderen te reageren. Kinderen die deze interventie ontvingen, lieten daarna meer typische dagelijkse cortisolpatronen zien dan kinderen uit de controlegroep.
In later vervolgonderzoek bleek bovendien dat de interventie samenhing met meer ouderlijke sensitiviteit en dat deze toegenomen sensitiviteit op haar beurt samenhing met gunstiger cortisolregulatie in de middenkindertijd.
Bij volwassenen zijn de processen complexer en kunnen resultaten uit onderzoek bij jonge kinderen niet één-op-één worden vertaald naar volwassen herstel.
De bredere ontwikkelingsgerichte conclusie blijft echter belangrijk:
vroege kwetsbaarheid is geen definitieve bestemming.
Nieuwe relaties, een stabielere omgeving, psychologische behandeling en herhaalde ervaringen van veiligheid, autonomie en wederkerigheid kunnen bijdragen aan nieuwe manieren van reguleren en verbinden.
Zijnsoriëntatie en constructieve zelfbegeleiding
Als zijnsgeoriënteerd therapeut werk ik vanuit Zijnsoriëntatie. Dat betekent dat we samen onderzoeken hoe ervaringen uit je verleden invloed hebben op hoe je nu naar jezelf kijkt, wat je voelt en hoe je met anderen omgaat. Je leert jezelf beter begrijpen, oude patronen herkennen en milder naar jezelf kijken. Zo ontstaat er meer ruimte om jezelf te zijn, je eigenwaarde te ervaren en met meer vertrouwen en vrijheid in het leven te staan.
Binnen Zijnsoriëntatie staat onder andere het ontwikkelen van constructieve zelfbegeleiding centraal: leren voelen wat er in je gebeurt, herkennen wat je nodig hebt en jezelf kunnen begeleiden wanneer moeilijke gevoelens of situaties ontstaan.
In het basisjaar komen onder andere aan bod:
contact met gevoelens
vriendelijkheid voor jezelf
authenticiteit
open onderzoek
holding en veiligheid
lichaamswerk
aandacht en meditatie
actietendensen
verlangens en behoeften
zelfkritiek
relationele patronen
Het lichaam wordt daarbij niet alleen gezien als iets dat spanning 'vasthoudt', maar als een belangrijke ingang om te merken hoe je jezelf en de omgeving op dat moment ervaart.
Bron: Chris Kersten (2019), Rusten in Zijn – Doen wat je écht wilt, Centrum Zijnsoriëntatie.
Zijnsoriëntatie en constructieve zelfbegeleiding
Als zijnsgeoriënteerd therapeut werk ik vanuit Zijnsoriëntatie. Dat betekent dat we samen onderzoeken hoe ervaringen uit je verleden invloed hebben op hoe je nu naar jezelf kijkt, wat je voelt en hoe je met anderen omgaat. Je leert jezelf beter begrijpen, oude patronen herkennen en milder naar jezelf kijken. Zo ontstaat er meer ruimte om jezelf te zijn, je eigenwaarde te ervaren en met meer vertrouwen en vrijheid in het leven te staan.
Binnen Zijnsoriëntatie staat onder andere het ontwikkelen van constructieve zelfbegeleiding centraal: leren voelen wat er in je gebeurt, herkennen wat je nodig hebt en jezelf kunnen begeleiden wanneer moeilijke gevoelens of situaties ontstaan.
In het basisjaar komen onder andere aan bod:
contact met gevoelens
vriendelijkheid voor jezelf
authenticiteit
open onderzoek
holding en veiligheid
lichaamswerk
aandacht en meditatie
actietendensen
verlangens en behoeften
zelfkritiek
relationele patronen
Het lichaam wordt daarbij niet alleen gezien als iets dat spanning 'vasthoudt', maar als een belangrijke ingang om te merken hoe je jezelf en de omgeving op dat moment ervaart.
Wat betekent dit voor basisvertrouwen?
Basisvertrouwen zelf is in deze onderzoeken niet als één afzonderlijke variabele gemeten.
Ik gebruik het als een integrerend begrip waarin verschillende processen samenkomen.
In vereenvoudigde vorm:
Vroege ervaringen en hechting
↓
stressregulatie en relationele verwachtingen
↓
beschermings- en compensatiestrategieën
↓
automatische emotionele en relationele reacties
↓
herkennen, voelen en reguleren
↓
zelfcompassie, eigenwaarde en inzicht
↓
meer autonomie én verbinding
↓
steviger basisvertrouwen
