Een diagnose vertelt niet het hele verhaal
Een diagnose zoals ADHD, autisme of (C)PTSS kan veel verhelderen. Lees waarom hechting, stress en je levensverhaal ook een plek verdienen.
VERDIEPINGSARTIKEL
Niel Rijsdijk
9/18/2026


Over ADHD, autisme, PTSS, CPTSS, hechting, stress, beschermingspatronen en het levensverhaal
Verdiepingsartikel · leestijd ongeveer 35–40 minuten
Een diagnose kan veel betekenen. Voor sommige mensen is zij een opluchting. Eindelijk vallen dingen op hun plek. Eindelijk ontstaat taal voor iets wat jarenlang vooral voelde als falen, luiheid, overgevoeligheid, chaos of ‘anders zijn’.
Een diagnose kan toegang geven tot behandeling, begeleiding, praktische ondersteuning en soms medicatie. Zij kan helpen om jezelf beter te begrijpen en om anderen beter te laten begrijpen wat je nodig hebt.
Dit artikel gaat daarom niet over de vraag of diagnoses wel of niet ‘echt’ zijn. Het gaat over een andere vraag:
Hoeveel vertelt een diagnose eigenlijk over de volledige ontwikkeling van een mens?
ADHD en autisme behoren tot de neuro-ontwikkelingsbeelden. PTSS en complexe PTSS — CPTSS — behoren tot de traumagerelateerde of, binnen de ICD-11, specifiek stressgerelateerde stoornissen. Onveilige hechting is weer iets anders. En begrippen als basisvertrouwen, beschermingspatronen en reflexmatige zelfzorg komen uit andere psychologische en therapeutische kaders. (Wereldgezondheidsorganisatie)
Die begrippen moeten we niet op één hoop gooien.
Tegelijkertijd leven ze binnen één mens niet altijd keurig naast elkaar in afzonderlijke vakjes. Iemand kan ADHD hebben én jarenlang onder spanning hebben geleefd. Autistisch zijn én traumatische ervaringen hebben meegemaakt. Een kwetsbaar basisvertrouwen hebben zonder PTSS te hebben. Sterk reageren op afwijzing zonder dat één diagnose daar automatisch een volledige verklaring voor geeft.
Daarom wil ik in dit artikel niet van diagnose naar twijfel, maar van diagnose naar verdieping.
Niet alleen vragen:
Welke kenmerken zijn aanwezig?
Maar ook:
Wat was er al? Wat heeft iemand meegemaakt? Wat heeft diegene geleerd om zichzelf staande te houden? En wat heeft deze persoon vandaag nodig?
Kort gezegd
Een diagnose kan veel verklaren, maar vertelt niet automatisch hoe een mens zich door zijn leven heen heeft ontwikkeld.
In dit artikel onderzoek ik hoe aanleg, vroege ervaringen, relaties, stress, hechting, trauma, familiegeschiedenis, culturele context en manieren van zelfbescherming zich binnen één levensverhaal kunnen verweven — zonder ADHD of autisme tot trauma te reduceren en zonder PTSS, CPTSS en hechtingsproblematiek met elkaar te verwarren.
Niet van diagnose naar twijfel, maar van diagnose naar verdieping.
Voor wie is dit artikel?
Dit artikel is bedoeld voor volwassenen die zichzelf herkennen in kenmerken zoals moeite met aandacht of concentratie, snel afgeleid zijn, overprikkeling, behoefte aan voorspelbaarheid, moeite met schakelen, perfectionisme, faalangst, sterke emotionele reacties, verhoogde waakzaamheid, controle, aanpassen, terugtrekken of moeilijkheden in relaties — met of zonder diagnose.
Juist omdat sommige kenmerken binnen verschillende psychische, traumagerelateerde en neuro-ontwikkelingsbeelden kunnen voorkomen, kan de vraag ontstaan:
Waar komt dit bij mij vandaan, en wat hoort bij wat?
Dit artikel geeft daar geen individuele diagnose op. Het onderzoekt iets anders:
Hoe kunnen aanleg, stress, ervaringen, relaties, hechting, basisvertrouwen en beschermingspatronen binnen één levensverhaal naast elkaar een rol spelen?
Wat kan dit artikel je opleveren?
Dit artikel geeft je niet één verklaring voor wie je bent of waarom je ergens tegenaan loopt. Het wil je vooral helpen om meer samenhang te zien.
Een diagnose kan kloppen én tegelijkertijd niet alles vertellen over hoe jij je door je leven heen hebt ontwikkeld.
Daarom staan steeds een paar vragen centraal:
Wat was er misschien al van nature aanwezig?
Wat heb ik onderweg meegemaakt?
Wat heb ik geleerd om mijzelf staande te houden?
Welke reacties helpen mij nog steeds — en welke beperken mij inmiddels?
Misschien verschuift daardoor de vraag van:
Wat is er met mij?
naar:
Wat speelt er bij mij, wat heeft mij gevormd en wat heb ik vandaag nodig?
In dit artikel
Wat vertelt een diagnose — en wat niet?
Hoe ontwikkeling ontstaat
Bescherming, aandacht en stress
Een diagnose binnen een levensverhaal
Mijn eigen proces: van begrijpen naar voelen
Herstel, relaties en nieuwe ervaringen
Hoe onderzoek je een ontwikkelingsroute?
Van classificeren naar begrijpen
Niet van diagnose naar twijfel, maar van diagnose naar verdieping
1. Wat vertelt een diagnose — en wat niet?
Een diagnose kan enorm veel betekenen
Soms kan een diagnose ontzettend veel duidelijk maken.
Waarom lukt het mij zo moeilijk om mijn aandacht vast te houden? Waarom raak ik sneller overprikkeld dan anderen? Waarom kost plannen mij zoveel moeite? Waarom heb ik zoveel behoefte aan voorspelbaarheid? Waarom reageer ik soms zo sterk op verandering of onzekerheid?
Voor iemand die jarenlang heeft gedacht dat hij lui, chaotisch, overgevoelig, lastig of gewoon ‘anders’ was, kan een diagnose een enorme opluchting zijn.
Eindelijk herkenning. Eindelijk taal. Eindelijk een kader waarin bepaalde ervaringen begrijpelijker worden.
Daar wil ik in dit artikel niets aan afdoen.
ADHD is een neuro-ontwikkelingsstoornis met een belangrijke genetische component. Een grote genetische studie identificeerde tientallen risicoloci en onderstreept dat ADHD een complex, polygenetisch ontwikkelingsbeeld is. Dat betekent niet dat genen iemands volledige functioneren bepalen, maar wel dat ADHD niet kan worden teruggebracht tot opvoeding, stress of hechting. (Nature)
Ook autisme behoort tot de neuro-ontwikkelingsbeelden en hangt samen met de ontwikkeling van het brein. De manier waarop autisme zich uit, de ondersteuning die iemand nodig heeft en het functioneren kunnen gedurende het leven sterk verschillen. (Wereldgezondheidsorganisatie)
PTSS en CPTSS bevinden zich diagnostisch in een andere categorie. Bij beide staan traumatische of extreem bedreigende ervaringen centraal. Bij CPTSS komen naast de kernsymptomen van PTSS hardnekkige problemen rond onder meer emotieregulatie, zelfbeeld en relaties voor. (WHO Iris)
Dat onderscheid is belangrijk.
Mijn vraag is daarom niet:
Klopt die diagnose wel?
Mijn vraag is een andere:
Vertelt een diagnose automatisch het hele ontwikkelingsverhaal van een mens?
Misschien heeft een diagnose jou veel gebracht. Maar misschien merk je tegelijkertijd dat niet álles ermee verklaard voelt.
Wat verklaart jouw diagnose voor jou wél?
En wat blijft er misschien nog open?
Een observatie is nog geen verklaring
Iemand kan snel afgeleid zijn. Chaotisch. Vergeetachtig. Vaak te laat. Impulsief. Onrustig. Moeite hebben met plannen of taken afmaken.
We kunnen gedrag zien.
We kunnen gedrag beschrijven.
En soms herkennen we daarin terecht een patroon dat bij ADHD past.
Maar daarmee ontstaat nog niet automatisch een volledig verhaal.
Een symptoom vertelt ons wat we zien. Het levensverhaal kan ons helpen begrijpen wat eronder ligt.
Dat betekent niet dat ieder symptoom een verborgen psychologische verklaring moet hebben.
Soms is vergeetachtigheid gewoon een uiting van ADHD. Soms past overprikkeling binnen autisme. Soms is vermijding onderdeel van PTSS.
Maar wanneer we iemand werkelijk proberen te begrijpen, worden aanvullende vragen relevant.
Wanneer begon iets? In welke situaties gebeurt het? Was het vroeger hetzelfde? Komt het in meerdere levensgebieden voor? Wat speelde er daarnaast? Welke andere psychische, lichamelijke, relationele of omgevingsfactoren kunnen invloed hebben?
Goede ADHD-diagnostiek hoort juist verder te kijken dan een losse lijst symptomen. NICE adviseert een volledige klinische en psychosociale beoordeling, een ontwikkelings- en psychiatrische voorgeschiedenis, informatie over functioneren in verschillende situaties en aandacht voor bijkomende aandoeningen en omstandigheden. Een diagnose hoort niet uitsluitend op een vragenlijst te rusten. (Nice)
Toch blijft ieder onderzoek afhankelijk van wat op dat moment zichtbaar is, wat wordt gevraagd, wat iemand zich herinnert en wat diegene op dat moment al over zichzelf begrijpt.
Wanneer dezelfde kenmerken bij verschillende diagnoses terugkomen
Ik las onlangs een Facebookbericht waarin verschillende kenmerken aan borderlinepersoonlijkheidsproblematiek werden gekoppeld. In de reacties schreven mensen vervolgens:
Maar dit herken ik ook bij ADHD.
Dat is op zichzelf niet vreemd.
Veel psychische kenmerken zijn niet exclusief voor één diagnose. Problemen met emotieregulatie, impulsiviteit, spanning, terugtrekking, afwijzingsgevoeligheid of behoefte aan controle kunnen binnen verschillende beelden voorkomen.
Een kenmerk kan herkenbaar zijn zonder diagnostisch onderscheidend te zijn.
Dat is precies waarom goede differentiaaldiagnostiek verder kijkt dan één los symptoom. Onderzoek naar het onderscheiden van bijvoorbeeld autisme, hechtingsstoornissen, CPTSS en persoonlijkheidsproblematiek laat zien dat er overlap kan bestaan, terwijl ontwikkelingsgeschiedenis, context en het totale patroon juist helpen onderscheid te maken. (PubMed)
Dezelfde buitenkant kan verschillende verhalen bevatten
Bepaalde klachten en kenmerken komen bij verschillende psychische en neuro-ontwikkelingsbeelden voor.
Juist daarom is zorgvuldig kijken belangrijk.
Moeite om de aandacht vast te houden
Kan onder andere voorkomen bij ADHD, PTSS/CPTSS, langdurige stress, angst, depressie en slaapproblemen.
Snel overweldigd of overprikkeld raken
Kan onder andere voorkomen bij ADHD, autisme, PTSS/CPTSS en andere vormen van overbelasting.
Sterke behoefte aan voorspelbaarheid
Kan onder andere voorkomen bij autisme, angst, traumagerelateerde klachten of bij controle als beschermingsstrategie.
Moeite met het reguleren van emoties
Kan onder andere voorkomen bij ADHD, autisme, CPTSS en verschillende andere psychische problemen.
Sterk reageren op mogelijke dreiging
Kan onder andere voorkomen bij PTSS/CPTSS, angst en na ernstige jeugdbelasting.
Zich terugtrekken uit contact
Kan onder andere voorkomen bij autisme, traumagerelateerde klachten, depressie, sociale angst of als relationele beschermingsreactie.
Moeite met werkgeheugen, planning of het afremmen van impulsen
Kan onder andere voorkomen bij ADHD, maar wordt op groepsniveau ook vaker gezien bij kinderen en jongeren die ernstige vroege bedreiging of deprivatie hebben meegemaakt. (JAMA Network)
Geen van deze kenmerken is op zichzelf voldoende om één diagnose vast te stellen.
Het patroon waarin kenmerken voorkomen, wanneer ze zijn ontstaan, de ontwikkelingsgeschiedenis, de context en hoe iemand door de tijd heen functioneert, helpen om er betekenis aan te geven.
Deze opsomming is daarom nadrukkelijk geen hulpmiddel om zelf een diagnose te stellen.
Juist het tegenovergestelde.
Gedrag kan vergelijkbaar zijn. De betekenis en ontstaansgeschiedenis ervan hoeven dat niet te zijn.
Twee mensen stellen dingen uit. Bij de één speelt ADHD. Bij een ander misschien faalangst. Bij een derde traumagerelateerde spanning. En bij weer een ander meerdere processen tegelijkertijd.
ADHD en autisme zijn neuro-ontwikkelingsbeelden
Dat onderscheid wil ik duidelijk houden.
ADHD is geen ander woord voor stress.
Autisme is geen ander woord voor onveilige hechting.
En toch bleef er bij mij iets knagen.
Ik ontmoette en las over mensen die moeite hadden met concentratie, onrust, uitstelgedrag, vergeetachtigheid of plannen. Sommigen hadden een ADHD-diagnose. Anderen niet.
En soms kwam daarnaast een levensgeschiedenis naar voren waarin langdurige spanning een belangrijke rol speelde.
Een ouder met een verslaving.
Een ouder die langdurig ziek was.
Geweld.
Verwaarlozing.
Maar soms waren de omstandigheden veel subtieler.
Een kind dat vooral makkelijk probeerde te zijn omdat een broer of zus veel aandacht nodig had.
Een kind dat zijn ouders absoluut niet wilde teleurstellen.
Een kind dat vooral waardering ervoer wanneer het presteerde.
Of een kind met een dominante ouder dat langzaam leerde:
Ik moet worden wie jij wilt dat ik ben om geaccepteerd te worden.
Zo'n kind kan zich sociaal ontwikkelen, hard werken, een opleiding volgen, carrière maken en voor anderen zorgen.
En tegelijkertijd als volwassene nauwelijks weten wat het zelf voelt. Wat het werkelijk wil. Waarom ontspannen zo moeilijk is. Of waarom ‘goed genoeg’ nooit helemaal genoeg voelt.
Toen begon voor mij een bredere vraag te ontstaan:
Hoe goed kunnen we eigenlijk aan gedrag zien waar dat gedrag vandaan komt?
2. Hoe ontwikkeling ontstaat
Een mens ontwikkelt zich nooit vanuit één oorzaak
Een mens ontwikkelt zich vanuit een samenspel van aanleg, ervaringen en omgeving.
We komen ter wereld met een bepaalde genetische aanleg, temperament, gevoeligheden en een lichaam en brein die zich op hun eigen manier ontwikkelen.
Maar die aanleg ontwikkelt zich vervolgens binnen een levensgeschiedenis.
Een kind groeit op binnen een gezin, relaties, school, cultuur en sociale omgeving. Misschien zijn ouders liefdevol en beschikbaar. Misschien zijn zij zelf overbelast. Misschien speelt er ziekte, rouw, verslaving, psychische problematiek, conflict, armoede of onvoorspelbaarheid. Of juist veel stabiliteit.
Ondertussen leert een kind voortdurend iets.
Wat gebeurt er wanneer ik verdrietig ben? Komt iemand wanneer ik bang ben? Mag ik boos zijn? Kan ik fouten maken? Moet ik vooral flink zijn? Moet ik goed presteren? Kan ik op anderen vertrouwen? Of kan ik dingen beter zelf oplossen?
Hoe was dat eigenlijk bij jou thuis?
Was er ruimte voor jouw gevoelens? Kon je hulp vragen wanneer iets moeilijk was? Wist je meestal waar je aan toe was? Of was je vaak bezig met aanvoelen, aanpassen, presteren of voorkomen dat er extra spanning ontstond?
Dat betekent niet dat opvoeding, jeugdervaringen of hechting alles verklaren.
Genetische aanleg, hersenontwikkeling, temperament, lichamelijke gezondheid, school, relaties, maatschappelijke omstandigheden en latere ervaringen spelen allemaal mee.
Misschien hoeven we daarom niet voortdurend te kiezen tussen:
aanleg óf omgeving
biologie óf psychologie
diagnose óf levensgeschiedenis
Misschien ligt juist in de wisselwerking een belangrijk deel van het verhaal.
Ontwikkeling gebeurt niet alleen ín een kind. Zij gebeurt ook tussen een kind en zijn omgeving.
Een levensverhaal begint niet bij onze geboorte
Er is nog een laag.
Een kind groeit niet alleen op bij ouders of verzorgers. Het groeit op binnen een familiegeschiedenis.
Ouders brengen zelf ervaringen mee.
En ook hun ouders kwamen ergens vandaan.
Een familie kan oorlog hebben meegemaakt, vervolging, migratie, armoede, verlies, koloniale ontwrichting, discriminatie, psychische problematiek, verslaving of generaties waarin kwetsbaarheid nauwelijks ruimte kreeg.
Dat betekent niet dat dergelijke ervaringen automatisch worden doorgegeven.
En ook niet dat een kind daardoor per definitie onveilig gehecht raakt.
Maar ze kunnen wel onderdeel worden van de omgeving waarin een volgende generatie opgroeit.
Een ouder die zelf gevaar, verlies of vernedering heeft meegemaakt, kan bijvoorbeeld alerter zijn, moeite hebben om kwetsbaarheid toe te laten, sterk gericht zijn op zelfstandigheid of juist veel behoefte hebben aan controle en bescherming.
Niet omdat die ouder niet van zijn kind houdt.
Maar omdat ook die ouder ooit een manier heeft moeten vinden om zich tot zijn wereld te verhouden.
Intergenerationele overdracht kan via verschillende routes verlopen: via opvoeding, gezinsklimaat, wat wel en niet besproken mag worden, verwachtingen, stress tijdens zwangerschap en manieren waarop binnen een familie met gevaar, afhankelijkheid, conflict en verlies wordt omgegaan.
Ook epigenetische mechanismen worden onderzocht.
Daar is voorzichtigheid belangrijk. Onderzoek bij mensen geeft aanwijzingen voor mogelijke biologische routes, maar rechtvaardigt niet de eenvoudige conclusie dat trauma als een vaste biologische code wordt ‘opgeslagen’ en rechtstreeks aan volgende generaties wordt doorgegeven. Yehuda en Lehrner beschrijven verschillende mogelijke mechanismen en benadrukken juist de complexiteit van intergenerationele effecten. (PubMed Central (PMC))
Intergenerationele invloed is geen intergenerationeel lot.
Een familiegeschiedenis kan kwetsbaarheid doorgeven.
Maar ook veerkracht.
Humor.
Doorzettingsvermogen.
Gemeenschapszin.
Creativiteit.
Spiritualiteit.
Zorg voor elkaar.
Overlevingskracht.
Daarom kan het soms waardevol zijn om niet alleen te vragen:
Wat gebeurde er met jou?
maar ook:
In welk verhaal werd jij geboren?
Welke angsten waren er al voordat jij er was? Waar werd in jouw familie niet over gesproken? Wat betekende veiligheid? Wat betekende afhankelijk zijn? Moest je sterk zijn? Was zichtbaarheid veilig? Kon verdriet bestaan?
En welke kwaliteiten, waarden en bronnen van veerkracht kreeg je juist wél mee?
Dat betekent opnieuw niet dat we een diagnose via drie generaties moeten proberen te verklaren.
Ook hier geldt:
Niet te snel weten.
Maar een diagnose beschrijft één persoon.
Een ontwikkelingsverhaal laat zien dat die persoon deel is van relaties, een familie, een cultuur en een geschiedenis.
We leren onszelf niet helemaal alleen reguleren
Een jong kind kan grote spanning nog niet zelfstandig dragen. Het heeft daarvoor aanvankelijk een ander nodig.
Een stem die geruststelt.
Een gezicht dat niet schrikt van verdriet.
Iemand die uitstraalt:
Ik ben er.
Een arm om het kind heen.
Een volwassene die zelf voldoende gereguleerd blijft wanneer het kind dat even niet is.
Dat noemen we co-regulatie.
Het kind ontwikkelt regulatie niet in afzondering. Door herhaalde ervaringen met anderen kan geleidelijk meer vermogen tot zelfregulatie ontstaan.
In de psychodynamische traditie wordt daarnaast het begrip holding gebruikt, vooral bekend geworden door Donald Winnicott.
Oorspronkelijk verwees dit naar de manier waarop een jong kind fysiek en emotioneel wordt gedragen, beschermd en opgevangen. Binnen psychotherapie wordt het begrip breder gebruikt voor een dragende relationele context waarin moeilijke gevoelens kunnen bestaan zonder dat de verbinding onmiddellijk verloren gaat.
Holding en co-regulatie raken elkaar, maar zijn niet precies hetzelfde.
Langzaam kan een kind iets gaan ervaren als:
Ik hoef dit niet helemaal alleen te dragen. Wat ik voel mag bestaan. Ik kan ontregeld raken zonder dat alles uit elkaar valt. Er is iemand die blijft.
En later misschien:
Ik kan steeds meer ook zelf bij mezelf blijven.
In mijn afstudeeronderzoek kwam ik van daaruit steeds dichter bij wat ik basisvertrouwen ben gaan noemen.
Ik gebruik basisvertrouwen hier als een therapeutisch en existentieel begrip. Het is geen psychiatrische diagnose en ook geen afzonderlijk gestandaardiseerd klinisch construct.
Voor mij gaat het niet om het vertrouwen dat het leven altijd veilig zal zijn.
Maar om iets fundamentelers:
Ook wanneer iets moeilijk wordt, kan ik bij mezelf blijven.
Binnen de Zijnsoriëntatie wordt daarnaast gesproken over fundamentele goedheid: het perspectief dat onze menselijke waarde niet eerst verdiend hoeft te worden door presteren, aanpassen of bewijzen.
Ook dit is een therapeutisch en existentieel uitgangspunt, geen psychiatrische categorie.
Daarom vind ik deze vraag belangrijk:
Hoe vanzelfsprekend voelt het voor jou dat je er mag zijn, ook wanneer je niets presteert, iemand teleurstelt, geen controle hebt of steun nodig hebt?
En dan ontstaat een volgende vraag:
Wat gebeurt er wanneer een kind relatief veel zelf moet proberen te reguleren?
Een kind wacht niet totdat de omstandigheden veranderen
Kinderen passen zich aan.
Daar zijn ze buitengewoon goed in.
Wanneer de omgeving onvoorspelbaar is, kan een kind meer gaan opletten.
Wanneer een ouder snel gekwetst of boos raakt, kan een kind gevoeliger worden voor stemmingen.
Wanneer liefde sterk verbonden voelt met presteren, kan een kind uitzonderlijk zijn best gaan doen.
Wanneer afhankelijk zijn vaak teleurstelling oplevert, kan een kind juist heel zelfstandig worden.
Niet omdat het daar bewust voor kiest.
Het gebeurt. Langzaam.
Misschien gaat een kind meer scannen, vooruitdenken, controleren, pleasen, presteren, zich terugtrekken, geen extra problemen veroorzaken of vooral proberen alles zelf op te lossen.
Dat wil niet zeggen dat we aan zo'n patroon kunnen zien wat er in de jeugd is gebeurd.
Zo eenvoudig werkt het niet.
Niet iedere perfectionist heeft een moeilijke jeugd gehad. Niet iedere behoefte aan controle betekent trauma. Niet iedereen die stemmingen goed aanvoelt heeft hechtingsproblemen.
Het zijn mogelijkheden. Geen diagnoses.
En het gaat evenmin om het zoeken naar schuld.
Ouders bestaan zelf binnen omstandigheden, generaties, beperkingen en gebeurtenissen. Ouders kunnen veel van hun kinderen houden en tegelijkertijd niet altijd kunnen bieden wat een kind op bepaalde momenten nodig heeft.
Het levensverhaal is geen zoektocht naar schuld, maar naar samenhang.
En dan wordt een andere vraag interessant:
Waar heeft dit gedrag ooit bij geholpen?
3. Bescherming, aandacht en stress
Reflexmatige zelfzorg
Binnen mijn opleiding leerde ik voor bepaalde automatische bewegingen het begrip reflexmatige zelfzorg kennen.
Dat woord kan verwarrend zijn. Zelfzorg klinkt immers als iets gezonds: een wandeling maken, goed slapen, grenzen stellen.
Maar reflexmatige zelfzorg gaat over iets anders.
Binnen het Zijnsgeoriënteerde kader waarin ik ben opgeleid gebruik ik die term voor manieren waarop we bijna automatisch proberen spanning, onzekerheid of kwetsbaarheid hanteerbaar te maken: analyseren, controleren, aanpassen, presteren, vermijden, terugtrekken, alles zelf oplossen, bevestiging zoeken of de omgeving in de gaten houden.
Het is geen officiële psychiatrische of wetenschappelijke classificatie.
Voor mij is het een therapeutisch hulpmiddel om gedrag functioneler te bekijken.
Er zit vaak ook intelligentie in zulke reacties.
De Controleur probeert onzekerheid kleiner te maken.
De Pleaser probeert verbinding veilig te houden.
De Presteerder probeert waardering en zekerheid te organiseren.
Analyseren probeert iets wat verwarrend voelt begrijpelijk te maken.
En scannen probeert belangrijke veranderingen vroeg te zien.
In mijn eigen proces begon ik verschillende van die bewegingen steeds duidelijker te herkennen.
Niet als fouten in mijn persoonlijkheid.
Maar als manieren waarop ik ooit had geleerd met spanning om te gaan.
Beschermingspatroon en reflexmatige zelfzorg
Ik maak daarbij graag nog een onderscheid.
Een beschermingspatroon is voor mij de bredere manier waarop iemand zichzelf probeert te beschermen tegen oude of verwachte pijn.
Reflexmatige zelfzorg is de meer automatische beweging waarmee iemand op een concreet moment spanning probeert te hanteren.
Bijvoorbeeld:
oude kwetsing → trigger → spanning → beschermingspatroon → automatische reactie
Stel dat iemand gevoelig is voor afwijzing.
Een bericht blijft onbeantwoord.
Er ontstaat spanning.
Vervolgens kan een bekende reactie ontstaan: pleasen, controleren, boos worden, afstand nemen, nog een bericht sturen of doen alsof het helemaal niets uitmaakt.
Die reactie kan al in beweging zijn voordat iemand bewust heeft onderzocht wat er werkelijk gebeurt.
Misschien beschermt zij tegen schaamte, machteloosheid, afwijzing of verlies van verbinding.
Daarom vind ik niet alleen de vraag interessant:
Welk beschermingspatroon heb ik?
Maar vooral:
Waartegen probeert dit patroon mij eigenlijk te beschermen?
En nog fundamenteler:
Wie moest je worden om je in die omgeving zo goed mogelijk staande te houden?
Wat gebeurde er? Wat deed dat met mij? Wat ben ik daardoor misschien gaan geloven? Hoe ben ik mij gaan gedragen? Waar hielp dat mij destijds bij? En wat kost diezelfde strategie mij vandaag?
En toen begon ik mij iets anders af te vragen:
Wat doet dat eigenlijk met je aandacht?
Misschien is aandacht soms niet afwezig, maar ergens anders aanwezig
Stel je een kind voor dat in de klas zit.
Voor hem ligt een boek.
De leraar legt iets uit.
Maar tegelijkertijd volgt een deel van zijn aandacht wat er om hem heen gebeurt.
Hoe klinkt de stem van de leraar? Waarom kijkt dat kind zo? Is iemand geïrriteerd? Wat gebeurt er straks thuis? Heb ik iets verkeerd gedaan? Moet ik ergens op anticiperen?
Misschien denkt dat kind die zinnen helemaal niet bewust.
Misschien gebeurt het automatisch.
Maar aandacht is niet onbeperkt.
Je kunt moeilijk volledig geconcentreerd zijn op wat vóór je ligt wanneer een deel van je voortdurend probeert te volgen wat er óm je heen gebeurt.
Misschien leest zo'n kind een bladzijde en weet het daarna nauwelijks wat er stond. Misschien mist het een deel van een instructie. Misschien kost het na iedere onderbreking tijd om weer terug te keren naar de taak. Misschien lijkt het vergeetachtig of raakt het op drukke plekken snel het overzicht kwijt.
Aan de buitenkant kan dat lijken op problemen die we óók bij ADHD zien.
En juist daar moeten we voorzichtig worden.
Gedrag kan vergelijkbaar zijn. De betekenis ervan hoeft dat niet te zijn.
Onderzoek naar ernstige vormen van vroege bedreiging en deprivatie laat op groepsniveau verbanden zien met executieve functies zoals werkgeheugen, inhibitie en cognitieve flexibiliteit. Een meta-analyse van 91 studies vond zulke verbanden bij kinderen en adolescenten, met voor sommige functies sterkere gemiddelde verbanden bij deprivatie dan bij bedreiging. (JAMA Network)
Andere meta-analyses bij jongeren die trauma hebben meegemaakt laten eveneens gemiddelde verschillen in executief functioneren zien. (Taylor & Francis Online)
Dat maakt de vraag relevant.
Maar het bewijst niet dat onveilige hechting ADHD veroorzaakt.
En het betekent evenmin dat ieder kind dat zijn omgeving scant concentratieproblemen ontwikkelt.
Dat zijn verschillende dingen.
Dezelfde functie, een andere route
Dezelfde functie kan bij verschillende mensen onder druk staan zonder dat de ontwikkelingsroute dezelfde is.
Iemand met ADHD kan moeite hebben met werkgeheugen, aandacht en inhibitie vanuit een neuro-ontwikkelingsbeeld.
Iemand die langdurig onder ernstige spanning heeft gestaan kan eveneens moeite ervaren met bepaalde aspecten van aandacht of executief functioneren.
En iemand kan ADHD hebben én traumatische of belastende ervaringen hebben meegemaakt.
Dan wordt de interessantste vraag niet:
Welke ene verklaring is de juiste?
Maar:
Welke processen spelen hier, en hoe zijn die in deze persoon met elkaar verweven geraakt?
Wat onderzoek hierover wel en niet kan vertellen
Veel van het onderzoek waarover ik schrijf gaat over groepen mensen.
Onderzoekers kunnen bijvoorbeeld vinden dat kinderen die ernstige jeugdbelasting hebben meegemaakt gemiddeld meer moeite laten zien met bepaalde mentale functies.
Dat betekent niet dat dit voor ieder individueel kind geldt.
En vanuit zo'n groepsbevinding kun je niet achteraf bij één persoon bepalen waardoor diens klachten zijn ontstaan.
Groepsgemiddelden geven richting aan onderzoek. Ze vertellen nooit automatisch het verhaal van één individu.
Het werkgeheugen helpt ons informatie tijdelijk beschikbaar te houden terwijl we ermee bezig zijn. Inhibitie helpt een eerste impuls af te remmen. Cognitieve flexibiliteit helpt om van strategie of perspectief te veranderen wanneer omstandigheden daarom vragen.
Onderzoek laat zien dat ernstige vroege belasting gemiddeld met verschillen in deze functies kan samenhangen.
Maar veel van die studies gaan over mishandeling, verwaarlozing, bedreiging, traumatische gebeurtenissen of langdurige deprivatie.
Dat is niet hetzelfde als onveilige hechting.
We mogen hieruit dus niet concluderen:
Onveilige hechting veroorzaakt ADHD-achtige problemen.
Dat is niet aangetoond.
ADHD en belastende jeugdervaringen kunnen naast elkaar bestaan
Onderzoek laat zien dat ADHD en belastende jeugdervaringen gemiddeld vaker samen voorkomen. In onderzoek wordt vaak gesproken over ACEs: adverse childhood experiences.
Een meta-analyse van zeventig observationele studies, met gezamenlijk bijna vier miljoen deelnemers, vond een statistische samenhang tussen ACEs en latere ADHD-diagnoses of ADHD-symptomen. Omdat dit grotendeels observationeel onderzoek betreft, kan daaruit niet eenvoudig worden afgeleid dat ACEs ADHD veroorzaken. (PubMed)
Er kunnen meerdere processen spelen.
Kindkenmerken kunnen relaties en omstandigheden beïnvloeden. Gezinsfactoren kunnen zowel genetisch als via de omgeving samenhangen met ADHD. Een stressvolle omgeving kan bestaande problemen versterken. En een kind met ADHD kan in de loop van zijn leven ervaringen opdoen die vervolgens weer nieuwe patronen vormen.
Een prospectieve Britse tweelingstudie laat zien hoe ingewikkeld zulke ontwikkelingsroutes kunnen zijn. ADHD in de jeugd voorspelde daarin een grotere kans op latere mishandeling of verwaarlozing, vooral bij bijkomende gedragsproblemen. Omgekeerd voorspelde eerdere mishandeling of verwaarlozing geen ADHD in de jongvolwassenheid nadat rekening was gehouden met ADHD die al eerder aanwezig was. De onderzoekers vonden daarmee geen ondersteuning voor een eenvoudige causale route van mishandeling naar latere ADHD. (PubMed)
Dat betekent vanzelfsprekend nooit dat een kind verantwoordelijk is voor wat het wordt aangedaan.
Het laat iets anders zien:
Ontwikkeling verloopt zelden via één eenvoudige pijl van oorzaak naar gevolg.
Daarom houd ik graag één zin vast:
Overlap serieus nemen zonder overlap en oorzaak met elkaar te verwarren.
Je hoeft ADHD dus niet te ontkennen om naar trauma te kijken.
En je hoeft trauma niet te negeren omdat iemand ADHD heeft.
Beide kunnen relevant zijn.
PTSS, CPTSS en autisme
Bij PTSS staat een reactie op traumatische of extreem bedreigende gebeurtenissen centraal.
Bij CPTSS moeten volgens de ICD-11 eveneens de kenmerken van PTSS aanwezig zijn, met daarnaast meer hardnekkige problemen in zelforganisatie, waaronder emotieregulatie, een negatief zelfbeeld en problemen in relaties. (WHO Iris)
Dat maakt CPTSS relevant voor dit artikel.
Niet omdat CPTSS hetzelfde is als onveilige hechting.
En niet omdat CPTSS ADHD of autisme zou vervangen.
Wel kunnen zichtbare moeilijkheden overlappen: concentratieproblemen, sterke emotionaliteit, terugtrekken, wantrouwen, schaamte, relatieproblemen, controlebehoefte en verhoogde waakzaamheid.
Iemand kan dus ADHD hebben én PTSS.
Autisme én CPTSS.
Of ADHD en autisme én daarnaast traumatische ervaringen hebben meegemaakt.
Autisme wordt niet veroorzaakt door onveilige hechting.
Tegelijkertijd kunnen autistische mensen natuurlijk óók traumatische ervaringen meemaken.
Daarom wordt de ontwikkelingsgeschiedenis belangrijk.
Wanneer was bepaald gedrag er voor het eerst? Bestond het al vóór traumatische gebeurtenissen? Komt het in verschillende situaties voor of vooral onder spanning? Hoe verliep de ontwikkeling vroeg in het leven? Welke gebeurtenissen hebben later iets veranderd?
Dat zorgvuldig onderzoeken hoort bij differentiaaldiagnostiek.
In gewone taal:
niet alleen kijken naar wat je ziet, maar onderzoeken welke verklaring of combinatie van verklaringen het beste bij deze persoon past. (PubMed)
4. Een diagnose binnen een levensverhaal
Niet alles is hechting
Daar wil ik een duidelijke grens trekken.
Want wanneer je veel vanuit hechting kijkt, ontstaat ook een risico:
dat uiteindelijk alles hechting wordt.
Dat wil ik niet.
Onveilige hechting is niet hetzelfde als mishandeling.
Mishandeling is niet hetzelfde als trauma.
Chronische stress is niet hetzelfde als ADHD.
Verminderd basisvertrouwen is geen psychiatrische diagnose.
En onveilige hechting is niet hetzelfde als een klinische hechtingsstoornis.
De ICD-11 onderscheidt bijvoorbeeld reactive attachment disorder en disinhibited social engagement disorder als specifieke klinische stoornissen. Dat zijn andere begrippen dan de bredere veilige en onveilige hechtingspatronen uit de ontwikkelingspsychologie. (WHO Iris)
Het sterkste onderzoek naar aandacht en executieve functies in relatie tot vroege belasting gaat bovendien vooral over duidelijk omschreven ernstige jeugdbelasting.
Onderzoek naar hechting laat op groepsniveau onder meer verbanden zien met emotionele ontwikkeling en emotieregulatie. Een meta-analyse van 72 studies vond bijvoorbeeld gemiddelde relaties tussen ouder-kindhechting en de ervaring en regulatie van emoties. Dat betekent niet dat hechtingspatronen op zichzelf psychiatrische stoornissen verklaren. (PubMed)
Dat onderscheid doet ertoe.
Anders doen we precies datgene waar dit artikel tegen probeert te waarschuwen:
verschillende verhalen te snel onder één naam schuiven.
Een diagnose beschrijft een ontwikkelingsbeeld
Maar zij beschrijft niet automatisch de volledige ontwikkeling van een mens.
Er is aanleg, temperament en neurobiologische ontwikkeling.
Maar er is ook de vraag hoe iemand werd ontvangen wanneer hij bang was. Hoe er thuis werd omgegaan met boosheid. Of verdriet welkom was. Of fouten mochten bestaan. Of iemand hulp kon vragen. Of nabijheid veilig voelde.
En daarna volgen nog tientallen jaren leven:
school, vriendschappen, afwijzingen, succes, mislukkingen, relaties, verlies, schaamte, therapie, nieuwe ervaringen, veilige mensen en nieuwe keuzes.
Een diagnose beschrijft een ontwikkelingsbeeld. Maar zij beschrijft niet automatisch de volledige ontwikkeling van een mens.
Die zin is voor mij uiteindelijk de kern geworden.
Daarmee wordt een diagnose niet minder belangrijk
Misschien juist belangrijker.
Voor iemand die jarenlang te horen heeft gekregen:
Let nou eens op.
Waarom vergeet je altijd alles?
Waarom ben je zo chaotisch?
Doe gewoon eens wat beter je best.
kan een ADHD-diagnose een enorme opluchting zijn.
Eindelijk een verklaring.
Eindelijk taal.
Eindelijk begrijpen dat bepaalde dingen niet simpelweg luiheid, gebrek aan discipline of onwil zijn.
Een diagnose kan leiden tot betere begeleiding, praktische ondersteuning, behandeling en medicatie wanneer die passend is.
Dat wil ik niet relativeren.
Mijn vraag is dan ook niet:
Waarom kijken professionals niet naar het levensverhaal?
Goede diagnostiek doet dat juist. Richtlijnen voor ADHD-diagnostiek benadrukken bijvoorbeeld expliciet het belang van ontwikkelingsgeschiedenis, psychosociale omstandigheden, meerdere contexten en bijkomende problematiek. (Nice)
Mijn vraag is subtieler:
Hoeveel van iemands werkelijke ontwikkelingsgeschiedenis wordt tijdens een individueel onderzoek zichtbaar?
Want wat niet gevraagd wordt, hoeft ook niet verteld te worden.
En wat iemand zelf nog niet begrijpt, kan diegene misschien ook nog niet vertellen.
Een simpele vraag kan een ingewikkelde geschiedenis bevatten
Neem iets simpels:
Was je als kind vaak te laat?
Ja.
Heel vaak.
Dat kan passen bij problemen met tijdsbesef, planning of organisatie.
Maar stel daarna nog een paar vragen.
Hoe verliepen de ochtenden thuis?
Was er structuur?
Was een ouder ziek?
Was er veel stress?
Verbleven kinderen regelmatig elders?
Kwam het hele gezin eigenlijk altijd te laat?
Moest dit kind zichzelf vaak redden?
Kwam het óók te laat wanneer het vanuit een rustige omgeving zelfstandig vertrok?
De eerste observatie blijft hetzelfde:
Dit kind was vaak te laat.
Maar ons begrip ervan verandert.
Misschien speelde ADHD.
Misschien speelde de gezinssituatie mee.
Misschien allebei.
Ik weet het niet.
En eigenlijk vind ik juist dat stukje steeds belangrijker:
Niet te snel weten.
Ouders vertellen ook vanuit hun eigen werkelijkheid
Ook informatie van ouders is waardevol.
Maar het blijft informatie vanuit een bepaald perspectief.
Een moeder kan dertig jaar later volkomen eerlijk zeggen:
Hij was best rustig. Wel wat vergeetachtig. En we kwamen vaak te laat.
Misschien klopt dat volledig.
Maar misschien was zij in diezelfde periode ernstig ziek. Misschien waren er voortdurend ziekenhuisbezoeken. Misschien vielen routines weg. Misschien was het hele gezin gespannen.
Niet omdat zij iets achterhoudt.
Misschien wordt er simpelweg niet naar gevraagd.
Of misschien was die situatie destijds zo normaal geworden dat niemand haar nog bijzonder vond.
Dan weten we iets over:
wat het kind deed.
Maar misschien nog onvoldoende over:
de wereld waarin het kind dat deed.
Ook een terechte diagnose krijgt later nieuwe lagen
Stel dat een kind op achtjarige leeftijd terecht ADHD krijgt vastgesteld.
Dan is het verhaal niet klaar.
Misschien hoort dat kind vervolgens jarenlang:
Waarom luister je nooit? Waarom vergeet je alles? Waarom ben jij altijd degene die…
Wat gebeurt er met een kind dat dat honderden keren hoort?
Misschien gaat het extreem controleren.
Misschien ontstaat perfectionisme.
Misschien gaat het overal twintig minuten te vroeg zijn.
Misschien wordt fouten maken steeds spannender.
Dan kan boven op de oorspronkelijke ADHD-problematiek een tweede laag ontstaan:
een zelfbeeld, schaamte, compensatie of angst voor afwijzing.
Een oorspronkelijke kwetsbaarheid en de ervaringen die iemand vervolgens mét die kwetsbaarheid opdoet, kunnen in de loop van een leven in elkaar gaan grijpen.
Daarom kan een diagnose volledig terecht zijn en tegelijkertijd onvoldoende vertellen over de volwassen persoon die later voor je zit.
Hetzelfde geldt bij autisme.
Werd iemand begrepen?
Gepest?
Overvraagd?
Voortdurend gecorrigeerd?
Moest iemand zich steeds aanpassen aan verwachtingen die niet goed bij hem of haar pasten?
Ook een neurobiologische aanleg krijgt een levensgeschiedenis.
5. Mijn eigen proces: van begrijpen naar voelen
Mijn eigen aandacht bleek ook een geschiedenis te hebben
Voor mij werd dit onderwerp uiteindelijk persoonlijker dan ik vooraf had verwacht.
Tijdens mijn opleiding en mijn eigen proces begon ik steeds beter te herkennen hoe sterk analyseren in mijn leven aanwezig was.
Ik kon veel nadenken, snel verbanden leggen, mensen lezen, vooruitdenken, situaties onderzoeken en mijn omgeving aanvoelen.
Dat heeft mij ook ontzettend veel gebracht.
Maar langzaam begon ik te merken dat dezelfde kwaliteit soms iets anders deed.
Wanneer ik onzeker was, ging ik analyseren.
Wanneer iets mij raakte, wilde ik begrijpen.
Wanneer iemand iets deed wat ik niet kon plaatsen, ging ik zoeken:
Wat bedoelt iemand? Waarom gebeurt dit? Wat moet ik hiermee? Hoe kan ik dit oplossen?
In mijn afstudeeronderzoek beschrijf ik hoe analyseren, presteren, controleren en het scannen van mijn omgeving voor mij niet alleen kwaliteiten waren, maar soms ook manieren om grip te houden.
Tijdens stilteretraites werd dat bijna komisch zichtbaar.
Er gebeurde nauwelijks iets en toch bleef mijn hoofd werken, onderzoeken, verklaren, interpreteren en vooruitdenken.
Toen kwam bij mij een vraag op die ik nog steeds heel interessant vind:
Waar is mijn aandacht eigenlijk allemaal mee bezig terwijl ik mij probeer te concentreren?
Misschien was mijn aandacht niet altijd afwezig.
Misschien was zij juist voortdurend aanwezig.
Alleen niet altijd waar ik haar bewust wilde hebben.
Begrijpen is niet hetzelfde als voelen
Dat werd uiteindelijk een belangrijk thema in mijn eigen ontwikkeling.
Mijn analytische vermogen hoefde niet weg.
Ik ben nog steeds iemand die graag onderzoekt.
Maar ik begon verschil te voelen tussen iets onderzoeken omdat ik nieuwsgierig ben en iets móéten begrijpen omdat onzekerheid moeilijk te verdragen is.
Dat verschil lijkt klein.
Voor mij was het groot.
Zolang ik kon begrijpen wat ik voelde, hoefde ik het misschien nog niet helemaal te voelen.
Ik wist inmiddels heel veel.
Maar weten bleek niet hetzelfde als kunnen dragen.
Misschien herken je dat.
Je kent je patronen. Je weet misschien zelfs waar ze vandaan komen. Je kunt er goed over praten.
Maar wanneer iets werkelijk raakt, schiet je toch in controle, aanpassen, vermijding, boosheid, analyse of terugtrekking.
Voor mij werd dat een belangrijk kantelpunt.
Inzicht alleen bleek niet genoeg.
Een onbeantwoord bericht
Juist in kleine momenten wordt dat zichtbaar.
Stel dat je iemand die belangrijk voor je is een bericht stuurt.
Er komt geen antwoord.
Na een uur merk je spanning.
Misschien denk je:
Heb ik iets verkeerd gezegd?
Je leest je bericht opnieuw.
Je kijkt wanneer die ander voor het laatst online was.
Je analyseert het vorige gesprek.
Misschien stuur je nog iets.
Misschien trek je je juist terug.
Misschien besluit je dat het je niets kan schelen.
Van buitenaf lijkt het misschien iets kleins.
Maar vanbinnen kan een heel systeem in beweging komen.
Niet antwoorden wordt dan niet alleen:
Er is nog geen bericht.
Het kan gevoeld worden als:
De verbinding is onzeker.
Van reflexmatige zelfzorg naar constructieve zelfbegeleiding
Ik begon steeds vaker te herkennen wanneer oude reflexen het overnamen:
mijn Controleur, mijn Presteerder, mijn Pleaser, mijn innerlijke criticus.
Niet om ze weg te sturen.
Ze hadden een functie.
Maar ik kon wel leren er niet automatisch mee samen te vallen.
Even stoppen.
Mijn lichaam voelen.
Mijn adem merken.
Niet direct antwoorden.
Niet onmiddellijk een probleem oplossen.
Voelen wat er onder de eerste reactie ligt.
Binnen mijn opleiding noemen we die beweging constructieve zelfbegeleiding.
Ook dit is een therapeutisch begrip uit het Zijnsgeoriënteerde kader waarin ik ben opgeleid, geen formele psychiatrische methode of diagnostische categorie.
Holding, zelfverwelkoming, lichaamsbewustzijn en het werken met innerlijke delen hebben mij daarbij geholpen.
Reflexmatige zelfzorg probeert veiligheid te organiseren. Constructieve zelfbegeleiding helpt mij veiligheid steeds meer te dragen.
De Controleur, Pleaser, Presteerder of analytische kant hoeven dus niet weg.
Maar ze hoeven ook niet automatisch de leiding te nemen.
Daar zit voor mij de beweging naar zelfleiderschap.
Niet harder sturen.
Maar bewuster aanwezig zijn.
Vijf bewegingen die mij daarbij helpen
1. Opmerken
Wat gebeurt er nu werkelijk in mij? Niet alleen in mijn gedachten, maar ook in mijn lichaam.
2. Uit elkaar halen
Wat is het feit en wat is mijn interpretatie? Het feit kan zijn: er is nog geen antwoord. De interpretatie kan zijn: ik word afgewezen.
3. De reflex herkennen
Wil ik analyseren, controleren, pleasen, aanvallen, verdwijnen, mezelf afwijzen of onmiddellijk zekerheid organiseren?
4. Bij mezelf blijven
Kan ik de spanning even dragen zonder haar direct op te lossen? Kan ik mezelf iets geven van de holding die ik op dat moment buiten mezelf zoek?
5. Kiezen
Wat wil ik doen wanneer niet alleen angst, maar ook mijn volwassen bewustzijn mee mag beslissen?
Het gaat niet om gevoelens wegkrijgen.
Het gaat om ruimte creëren tussen een oude reflex en een nieuwe keuze.
Mijn kwaliteiten hoefden niet te verdwijnen
Persoonlijke ontwikkeling wordt soms bijna een nieuw verbeterproject.
Alsof alles wat uit bescherming is ontstaan uiteindelijk weg moet.
Maar waarom eigenlijk?
Mijn analytische vermogen is waardevol.
Mijn doorzettingskracht ook.
Mijn sensitiviteit, zelfstandigheid en ambitie eveneens.
Het gaat mij steeds minder om de kwaliteit zelf en steeds meer om de plek vanwaaruit zij wordt ingezet.
Werk ik hard omdat iets voor mij betekenis heeft, of omdat ik mezelf anders niet goed genoeg voel?
Help ik iemand omdat ik werkelijk wil helpen, of omdat ik bang ben voor afwijzing?
Analyseer ik vanuit nieuwsgierigheid, of omdat niet-weten onverdraaglijk voelt?
Heling betekende voor mij niet dat mijn kwaliteiten verdwenen. Het betekende dat ze steeds minder door angst hoefden te worden aangedreven.
Vier lagen waarop ik tegenwoordig kijk
In mijn eigen ontwikkeling en begeleiding ben ik steeds meer vier samenhangende lagen gaan onderscheiden.
Lichaam: wat gebeurt er lichamelijk wanneer spanning oploopt? Waar voel je druk, onrust, versnelling of juist gevoelloosheid?
Emotioneel-psychologisch: welke gevoelens worden geraakt? Angst, schaamte, boosheid, verdriet? Welke beschermingsreactie volgt daarop?
Relationeel: wat gebeurt er wanneer iemand afstand neemt, kritiek geeft, niet direct beschikbaar is of juist heel dichtbij komt? Kun je steun ontvangen? Kun je aangeven wat je nodig hebt?
Existentieel: vanuit welke waarden wil je leven? Wie wil je zijn wanneer angst of bewijsdrang niet voortdurend aan het stuur zit? Wat geeft betekenis?
Voor mij gaat ontwikkeling uiteindelijk over die samenhang:
leren voelen wat er in mijn lichaam gebeurt, begrijpen welke emoties en beschermingspatronen actief worden, vrijer leren bewegen in relaties en steeds meer leven vanuit waarden en innerlijke stevigheid in plaats van angst of bewijsdrang.
Ook leren ontvangen hoort bij ontwikkeling
Zelfregulatie wordt soms bijna voorgesteld alsof het einddoel is dat we uiteindelijk alles alleen moeten kunnen.
Zo kijk ik er niet naar.
Een volwassen mens hoeft niet volledig onafhankelijk te worden.
We hebben elkaar nodig.
Soms zit ontwikkeling juist in het durven ontvangen van steun, nabijheid en zorg zonder daar onmiddellijk iets tegenover te hoeven stellen.
Kun je iemand laten helpen zonder je schuldig te voelen?
Kun je verdriet delen zonder meteen sterk te moeten worden?
Kun je nabijheid ontvangen zonder bang te zijn dat je jezelf verliest?
Ontwikkeling betekent voor mij niet dat je niemand meer nodig hebt. Soms is juist leren ontvangen een belangrijk onderdeel van ontwikkeling.
Misschien is volwassen regulatie mede het vermogen om te voelen:
Dit kan ik zelf dragen.
En:
Hiermee hoef ik niet alleen te blijven.
6. Herstel, relaties en nieuwe ervaringen
Herstel gebeurt ook tussen mensen
We leren onszelf niet helemaal alleen reguleren.
En misschien geldt iets vergelijkbaars voor herstel.
In een gesprek bij Nooit Meer Slapen in november 2025 sprak psychiater Jim van Os over hoe psychisch lijden iemand kan isoleren en hoe het samen vinden van woorden voor die ervaring al perspectief kan geven: iemand hoeft dat lijden dan niet volledig alleen te dragen. (NPO Radio 1)
Dat raakt voor mij aan iets wezenlijks.
Een behandeling is niet alleen een techniek.
Dat betekent niet dat de methode er niet toe doet.
De aard van de klacht doet ertoe.
Een passende behandeling doet ertoe.
Medicatie kan ertoe doen.
Gespecialiseerde psychiatrische zorg kan noodzakelijk zijn.
Maar er is vaak óók een ander mens.
Iemand die luistert.
Uitleg geeft.
Betrokken blijft.
Samen onderzoekt.
En helpt wanneer iemand tijdelijk geen overzicht of hoop ervaart.
Psychotherapieonderzoek ondersteunt dat de kwaliteit van de therapeutische alliantie samenhangt met behandeluitkomsten. Een grote meta-analyse van 295 studies en meer dan 30.000 cliënten vond een consistente positieve relatie tussen alliantie en resultaat. Dat bewijst niet dat de relatie alléén de verandering veroorzaakt, maar het laat wel zien dat de manier waarop cliënt en therapeut samenwerken ertoe doet. (PubMed)
Dat raakt voor mij opnieuw aan holding.
Niet iemand die jouw herstel voor je doet.
Maar iemand bij wie iets wat moeilijk te dragen is tijdelijk samen gedragen kan worden.
Soms ontstaat verandering doordat iemand tegenover je zit die niet onmiddellijk schrikt van wat je voelt.
Die nieuwsgierig blijft.
Die je niet uitsluitend benadert als diagnose, symptoom of probleem.
Maar als mens.
Dezelfde kenmerken kunnen om verschillende ontwikkelroutes vragen
Wanneer dezelfde zichtbare kenmerken binnen verschillende ontwikkelingsroutes kunnen voorkomen, heeft dat ook gevolgen voor de vraag wat iemand nodig heeft.
Het is dan soms onvoldoende om alleen te zeggen:
Je hebt ADHD.
Of:
Je hebt autisme.
Of:
Deze kenmerken horen nu eenmaal bij jou.
Een diagnose kan belangrijke informatie geven.
Maar daarnaast blijft de vraag:
Waar loopt deze persoon precies in vast — en wat heeft hij of zij misschien nog te ontwikkelen, verwerken of opnieuw te ervaren?
Stel dat iemand in de jeugd relatief weinig mogelijkheden heeft gehad om spanning samen met een beschikbare ander te reguleren.
Dan kan het zinvol zijn om niet alleen over emoties te praten, maar ook te leren herkennen wat er lichamelijk gebeurt wanneer spanning oploopt.
Waar voel ik spanning?
Wanneer schiet mijn systeem in alarm?
Kan ik een emotie opmerken zonder er onmiddellijk door overspoeld te raken?
Kan ik verdriet, angst of boosheid voelen zonder meteen te analyseren, controleren, vermijden of verdwijnen?
En kan ik dat aanvankelijk misschien juist beter samen met een ander dan alleen?
Daar kan een therapeutische relatie belangrijk worden.
Niet omdat een therapeut iemands jeugd opnieuw kan doen.
Maar omdat een voldoende veilige en werkzame relatie nieuwe ervaringen mogelijk kan maken:
Ik voel iets en de ander blijft.
Ik hoef mij niet onmiddellijk aan te passen.
Ik kan spanning verdragen zonder de verbinding kwijt te raken.
Ik mag iets nodig hebben.
Ik kan aangeven wat er in mij gebeurt.
Dat zijn niet alleen intellectuele inzichten.
Het zijn ervaringen die soms juist in relatie geleerd worden.
Afwijzingsgevoeligheid als voorbeeld
Neem iemand die sterk reageert op mogelijke afwijzing:
een kort antwoord, een partner die afstand neemt, iemand die een bericht niet beantwoordt of een kritische opmerking.
Zo'n situatie kan in het heden klein zijn, terwijl de emotionele reactie enorm voelt.
Daar kunnen verschillende processen onder liggen.
ADHD kan samengaan met sterke emotionele reacties. Traumatische ervaringen, schaamte, een kwetsbaar zelfbeeld, relationele geschiedenis of eerdere afwijzing kunnen eveneens relevant zijn.
Daarom wil ik niet automatisch zeggen:
Dit komt door je jeugd.
Maar ik wil evenmin stoppen bij:
Dit is nu eenmaal afwijzingsgevoeligheid.
Interessanter zijn vragen als:
Wat wordt hier geraakt? Welke betekenis krijgt de reactie van die ander voor mij? Welke oude pijn of onvervulde behoefte wordt misschien opnieuw voelbaar? Welke overtuiging heb ik daarover ontwikkeld?
Misschien:
Ik ben niet belangrijk.
Ik word verlaten.
Ik ben niet goed genoeg.
Als iemand afstand neemt, moet ik onmiddellijk iets doen.
En vervolgens:
Wat doe ik om die pijn niet opnieuw volledig te hoeven voelen?
Controleren?
Pleasen?
Boos worden?
Analyseren?
Afstand nemen?
Jezelf afwijzen voordat de ander dat kan doen?
Dat zijn mogelijkheden om te onderzoeken.
Geen vooraf vaststaande verklaringen.
Ook het lichaam heeft daarin iets te leren
Sommige patronen zijn niet alleen gedachten.
Ze worden ook lichamelijk voelbaar.
Wanneer iemand in een onvoorspelbare omgeving veel aandacht heeft leren richten op mogelijke veranderingen of dreiging, kan scannen een automatische gewoonte worden: gezichten lezen, stemmen beoordelen, veranderingen opmerken en vooruitdenken.
Dat kan ooit behulpzaam zijn geweest.
Maar stel dat je jaren later probeert te lezen, werken of studeren in een drukke omgeving.
Er gebeurt iets achter je.
Iemand praat harder.
Een gezicht verandert.
Er ontstaat onrust.
Nog voordat je bewust hebt besloten ergens op te letten, kan je aandacht alweer naar de omgeving zijn gegaan.
Dan is de vraag niet alleen:
Hoe krijg ik mezelf beter geconcentreerd?
Maar misschien ook:
Wat gebeurt er in mijn lichaam wanneer de omgeving onrustig wordt?
Dat betekent opnieuw niet dat zo'n proces ADHD verklaart of dat ADHD door therapie verdwijnt.
Het betekent dat naast een neuro-ontwikkelingsbeeld ook aangeleerde vormen van waakzaamheid kunnen bestaan.
En juist op zo'n aanvullende laag kan soms ontwikkeling plaatsvinden: door lichaamsbewustzijn, emotieregulatie, traumagerichte behandeling wanneer daarvoor een indicatie is, veilige relaties, oefenen en herhaling.
Niet iedere route vraagt hetzelfde
Daarom geloof ik niet in één antwoord voor iedereen.
De ene persoon heeft vooral baat bij praktische ondersteuning rond ADHD.
Een ander bij medicatie.
Een ander bij traumabehandeling.
Iemand anders bij psychotherapie gericht op relaties, emotieregulatie of zelfbeeld.
Sommige mensen hebben gespecialiseerde psychiatrische behandeling nodig.
Bij anderen ligt een belangrijk deel van de ontwikkelruimte daarnaast in het leren herkennen en veranderen van patronen die ooit bescherming boden, maar inmiddels hun leven beperken.
En vaak kunnen verschillende vormen van hulp naast elkaar bestaan.
Een diagnose kan helpen beschrijven welke kwetsbaarheid of welk patroon aanwezig is. Het ontwikkelingsverhaal kan helpen onderzoeken waar binnen iemands functioneren nog ruimte voor groei bestaat.
Dat geeft voor mij een hoopvoller perspectief.
Niet omdat alles veranderbaar is.
Niet omdat iedere klacht uit de jeugd komt.
En niet omdat voldoende liefde of therapie een neuro-ontwikkelingsbeeld kan laten verdwijnen.
Maar omdat een mens méér is dan zijn kwetsbaarheid.
Nieuwe ervaringen kunnen ontstaan.
Emoties kunnen beter herkenbaar en draaglijk worden.
Beschermingspatronen kunnen minder automatisch worden.
Relaties kunnen anders worden beleefd.
Iemand kan leren eerder hulp te vragen, grenzen te stellen, steun te ontvangen, niet onmiddellijk te reageren of zichzelf beter te begrijpen.
Soms begint verandering niet bij nóg beter begrijpen wat er mis is, maar bij een nieuwe ervaring met jezelf én met een ander mens.
En daar kom ik opnieuw bij basisvertrouwen
Voor mij raken al deze vragen uiteindelijk aan wat ik basisvertrouwen ben gaan noemen.
Nogmaals:
ik gebruik dat hier als therapeutisch en existentieel perspectief, niet als psychiatrische diagnose.
Voor mij gaat het over iets fundamenteels:
Ik mag er zijn.
Wat ik voel mag bestaan.
Ik hoef niet voortdurend te bewijzen dat ik goed genoeg ben.
Ik mag iemand nodig hebben.
Ik kan grenzen aangeven.
Ik mag fouten maken.
Ik kan spanning voelen zonder mezelf onmiddellijk kwijt te raken.
Wanneer dat vertrouwen kwetsbaar is, kunnen we op allerlei manieren proberen veiligheid te organiseren:
presteren, controleren, aanpassen, bevestiging zoeken, analyseren, alles zelf doen of afstand houden.
Dat betekent nog steeds niet dat verminderd basisvertrouwen ADHD verklaart.
Het betekent vooral dat een klacht soms meerdere lagen bevat.
En dat begeleiding naast de vraag:
Hoe verminderen we dit symptoom?
soms óók kan onderzoeken:
Wat probeert deze persoon eigenlijk al heel lang voor zichzelf te regelen?
7. Hoe onderzoek je een ontwikkelingsroute?
Begrijpen dat dezelfde zichtbare klacht binnen verschillende ontwikkelingsroutes kan voorkomen is één ding.
Maar dan volgt vanzelf een andere vraag:
Hoe onderzoek je eigenlijk welke lagen bij jou een rol spelen?
Daar is geen eenvoudige test voor.
Een ontwikkelingsgeschiedenis laat zich niet reconstrueren zoals een bloedwaarde.
We kunnen niet vanuit één huidige reactie terugredeneren naar één gebeurtenis in de jeugd.
En het doel is ook niet om achteraf te bewijzen:
Dit komt dus door mijn moeder.
Dit komt dus door mijn hechting.
Dit komt dus door trauma.
Het onderzoek is subtieler.
Wat gebeurt er nu in mij?
Wanneer gebeurt dit vooral?
Wat herken ik hiervan uit eerdere perioden?
Welke functie heeft deze reactie misschien gehad?
Wat gebeurt er wanneer ik niet onmiddellijk mijn automatische reactie volg?
Welke nieuwe ervaring heb ik vandaag misschien nodig?
Binnen mijn opleiding en afstudeeronderzoek heb ik daarvoor verschillende ervaringsgerichte, lichaamsgerichte en relationele werkvormen onderzocht.
Belangrijk:
Dit zijn geen diagnostische tests en ze bewijzen niet waar een klacht vandaan komt.
Het zijn manieren om ervaring te onderzoeken.
Het lichaam als ingang
Veel mensen kunnen uitstekend vertellen wat hun patroon is.
Ik ben bang voor afwijzing.
Ik controleer veel.
Ik trek me terug.
Ik analyseer alles.
Maar wanneer zo'n patroon werkelijk wordt geraakt, gebeurt er vaak ook iets in het lichaam:
een snellere adem, druk op de borst, spanning in buik of keel, onrust, verstarring of een sterke drang om iets te doen.
Daarom kan een eerste vorm van onderzoek heel eenvoudig beginnen:
Wat gebeurt er nu in mijn lichaam?
Niet eerst:
Waarom gebeurt dit?
Maar:
Wat merk ik?
Waar voel ik spanning?
Wat gebeurt er met mijn adem?
Wil ik dichterbij komen, weglopen, bevriezen of iets oplossen?
Voor iemand die veel begrijpt maar gevoelens vooral via gedachten probeert te hanteren, kan dat een belangrijke verschuiving zijn.
Van analyseren naar voelen
Een van de vragen die binnen mijn eigen proces belangrijk werd was:
Wat leeft er nu werkelijk in mij?
Dat klinkt eenvoudig.
Maar voor iemand die gewend is spanning via analyse, controle of aanpassing op te lossen, kan dat behoorlijk moeilijk zijn.
Want zodra verdriet, schaamte, angst of leegte voelbaar wordt, kan het oude systeem meteen weer aangaan:
analyseren, verklaren, oplossen, afleiden of controleren.
Binnen mijn opleiding heb ik gewerkt met wat daar voelend bestaan en neutrale waarneming wordt genoemd: leren opmerken wat aanwezig is zonder er onmiddellijk volledig mee samen te vallen of het te willen veranderen.
Niet:
Ik bén angstig.
Maar:
Ik merk dat er angst in mij aanwezig is.
Niet:
Ik word afgewezen.
Maar:
Ik merk dat de angst voor afwijzing wordt geraakt.
Daardoor kan iets meer ruimte ontstaan tussen ervaring en automatische reactie.
Onderzoeken wat een patroon probeert te beschermen
Stel dat je sterk gaat controleren wanneer iemand afstand neemt.
Dan kun je vragen:
Wat probeert mijn controle op dit moment te voorkomen?
Of wanneer je gaat pleasen:
Wat denk ik dat er gebeurt wanneer ik níét probeer de ander tevreden te houden?
Of wanneer je alles analyseert:
Wat zou ik moeten voelen wanneer ik niet onmiddellijk een verklaring zoek?
In mijn opleiding heb ik daarbij gewerkt met verschillende innerlijke delen of posities, zoals de criticus, kwetsbare delen en beschermende bewegingen die bijvoorbeeld de vorm krijgen van Pleaser, Presteerder of Controleur.
Het doel is niet zulke delen weg te krijgen.
Maar nieuwsgierig te onderzoeken:
Wat wil dit deel?
Waar is het bang voor?
Wat probeert het voor mij te voorkomen?
Wat heeft het misschien ooit voor mij gedaan?
En:
Heeft het vandaag nog steeds automatisch de leiding nodig?
Holding en zelfverwelkoming
Soms wordt onder een beschermingspatroon iets anders voelbaar:
verdriet, eenzaamheid, schaamte, machteloosheid of een verlangen om gezien, gesteund of gerustgesteld te worden.
Dan is begrijpen alleen vaak niet genoeg.
Binnen mijn opleiding heb ik gewerkt met zelfverwelkoming, holding-meditatie en open onderzoek.
Voor mij werd daarin een belangrijk inzicht:
Spanning hoeft niet altijd onmiddellijk opgelost te worden om draaglijk te worden.
Soms verandert er iets wanneer spanning eerst mag worden gevoeld en gedragen.
Door jezelf.
En soms samen met een ander.
Dat betekent niet dat zulke oefeningen voor iedereen passend zijn.
Bij ernstige traumaklachten, sterke dissociatie of andere psychiatrische problematiek kan professionele behandeling noodzakelijk zijn en kan intensief zelfonderzoek zonder passende begeleiding juist te ontregelend worden.
Relationeel onderzoek
Sommige patronen worden pas echt zichtbaar in contact.
Je kunt thuis rustig nadenken over afwijzingsgevoeligheid tot iemand daadwerkelijk afstand neemt.
Je kunt begrijpen dat je moeilijk hulp ontvangt tot iemand werkelijk iets voor je wil doen.
Je kunt weten dat je conflict vermijdt tot iemand tegenover je zit die het niet met je eens is.
Daarom is relationeel onderzoek zo waardevol.
Wat gebeurt er wanneer iemand dichtbij komt?
Wanneer iemand nee zegt?
Wanneer iemand teleurgesteld is?
Wanneer iemand je waardeert?
Wanneer je steun ontvangt?
Wanneer jij een grens aangeeft?
Juist hier kunnen nieuwe ervaringen ontstaan:
Ik kan een grens aangeven en de relatie blijft bestaan.
Ik kan verdriet laten zien en de ander raakt niet overweldigd.
Ik hoef niet te pleasen om contact te behouden.
Ik kan steun ontvangen zonder iets terug te moeten doen.
Ik kan verschil verdragen zonder dat verbinding meteen verloren gaat.
Dat zijn andere vormen van leren dan alleen inzicht.
Ook de familiegeschiedenis kan worden onderzocht
Wanneer we een ontwikkelingsroute onderzoeken, kijken we niet alleen naar individuele gebeurtenissen.
Soms zijn ook vragen over de familiegeschiedenis waardevol.
Wat hebben mijn ouders zelf meegemaakt?
Hoe werd er in hun gezin met angst, verdriet, conflict en afhankelijkheid omgegaan?
Welke gebeurtenissen hebben de familie gevormd?
Welke overtuigingen over veiligheid, vertrouwen, presteren of kwetsbaarheid lijken al langer aanwezig?
Welke rol speelden migratie, oorlog, vervolging, armoede, discriminatie of maatschappelijke uitsluiting?
En wat heeft mijn familie juist aan kracht en veerkracht doorgegeven?
Ook hier zoeken we niet naar één schuldige of één oorzaak.
Niet:
Wie heeft dit veroorzaakt?
Maar:
Welk verhaal draag ik mee — en wat daarvan wil ik behouden, verwerken of anders leren dragen?
Visualisaties en innerlijke beelden
In mijn opleiding heb ik daarnaast gewerkt met visualisaties.
Niet als bewijs dat iets historisch precies zo is gebeurd.
Maar als ervaringsgerichte manier om veiligheid, stevigheid, ruimte en innerlijke kwaliteiten te onderzoeken.
In mijn afstudeeronderzoek beschrijf ik onder andere beelden als het Huis van Zijn, de Boom, de Gestalte en de Edelsteen.
Ze functioneerden voor mij als symbolische ingangen naar ervaringen als geworteldheid, ruimte, stevigheid en fundamentele waarde.
Voor iemand die veiligheid vooral probeert te begrijpen, kan een beeld soms helpen om iets ook lichamelijk te ervaren.
Niet:
Ik weet dat ik veilig zou moeten zijn.
Maar:
Kan ik voor een moment voelen hoe stevigheid of ruimte in mijn lichaam ervaren wordt?
Van inzicht naar constructieve zelfbegeleiding
Uiteindelijk is het doel voor mij niet eindeloos graven in de jeugd.
De vraag wordt steeds:
Wat doe ik met wat ik nu zie?
Daar komt constructieve zelfbegeleiding opnieuw in beeld.
Kan ik herkennen dat mijn Controleur actief wordt?
Kan ik de angst eronder voelen?
Kan ik mijn eerste automatische reactie even uitstellen?
Kan ik mezelf geven wat ik op dat moment nodig heb?
Kan ik steun vragen wanneer dat helpt?
En kan ik vervolgens bewust kiezen hoe ik wil handelen?
Niet:
Hoe krijg ik dit patroon weg?
Maar:
Hoe kan ik aanwezig blijven wanneer dit patroon wordt geraakt, en welke keuze heb ik dan vandaag?
Geen zoektocht naar één oorzaak
Al deze werkvormen hebben één belangrijke grens.
Ze kunnen helpen betekenis, ervaring en patronen te onderzoeken.
Maar ze kunnen niet bewijzen:
Deze klacht komt door deze gebeurtenis.
Of:
Dit is dus de oorzaak van mijn ADHD.
Of:
Mijn afwijzingsgevoeligheid komt zeker door onveilige hechting.
Zo werkt ontwikkelingsonderzoek niet.
Wat ze wél kunnen doen is iemand helpen onderzoeken:
Wat gebeurt er nu? Welke automatische reactie ontstaat? Welke emotie ligt daaronder? Welke overtuiging of verwachting wordt geraakt? Wat herken ik hiervan uit mijn levensgeschiedenis? Wat heb ik geleerd om mezelf te beschermen? Wat heb ik vandaag nodig om iets anders te kunnen ervaren?
Misschien is dát precies de vorm van onderzoek die na een diagnose soms nog waardevol kan zijn.
Niet om een diagnose ongedaan te maken.
Maar om te ontdekken:
hoe deze mens met zijn aanleg, ervaringen, relaties, familiegeschiedenis, kwetsbaarheden en beschermingspatronen is geworden wie hij vandaag is.
8. Van classificeren naar begrijpen
Diagnostiek en ontwikkeling hoeven elkaar niet uit te sluiten
Mijn manier van begeleiden is gevormd door drie bronnen:
mijn eigen doorleefde ontwikkelingsproces, psychologische en wetenschappelijke kennis en mijn opleiding in Zijnsgeoriënteerde begeleiding.
Voor mij hoeft persoonlijke ervaring geen wetenschappelijk bewijs te zijn om waardevol te zijn.
Maar het is belangrijk die twee ook niet met elkaar te verwarren.
Mijn begeleiding richt zich niet op het diagnosticeren of medisch behandelen van ADHD, autisme, PTSS of CPTSS.
Zij kan naast diagnostiek of behandeling staan wanneer iemand verder wil onderzoeken hoe hij of zij omgaat met spanning, afwijzing, nabijheid, emoties en beschermingspatronen.
Een diagnose kan richting geven aan behandeling, gespecialiseerde zorg, praktische ondersteuning of medicatie.
Maar niet iedere ontwikkelingsvraag stopt bij de diagnose.
Soms blijft daarnaast een andere vraag bestaan:
Hoe heb ik geleerd met spanning, afwijzing, onzekerheid, nabijheid en mijn eigen emoties om te gaan?
Ontwikkelingsgerichte begeleiding kan aanvullend waardevol zijn wanneer iemand wil werken aan bijvoorbeeld basisvertrouwen, relationele patronen, lichaamsbewustzijn, emotieregulatie of constructieve zelfbegeleiding.
Niet als vervanging van geïndiceerde psychologische of psychiatrische zorg.
Maar als aanvulling wanneer de hulpvraag daarom vraagt.
Goede zorg hoeft niet te kiezen tussen diagnose, behandeling en ontwikkeling.
Wat kun je hier zelf mee?
Je hoeft niet zelf te bepalen welke diagnose of verklaring uiteindelijk het beste bij je past.
Dit artikel is geen handleiding voor zelfdiagnose.
Wel kun je nieuwsgieriger worden naar je eigen patronen.
Neem eens een situatie waarin je sterk reageerde.
Niet om te bewijzen dat jouw reactie door je jeugd, ADHD, autisme, PTSS of iets anders kwam.
Maar om beter te leren herkennen wat er gebeurde.
Wat gebeurde er precies?
Wat merkte ik als eerste in mijn lichaam?
Welk gevoel kwam op?
Wat deed ik automatisch?
Waar probeerde die reactie mij mogelijk bij te helpen?
Wat had ik op dat moment eigenlijk nodig?
Soms ontstaat daardoor een concretere hulpvraag.
Niet alleen:
Ik heb ADHD en ik loop vast.
Maar bijvoorbeeld:
Ik merk dat ik vooral vastloop wanneer er veel onzekerheid is. Dan verlies ik overzicht en ga ik sterk controleren. Ik wil leren spanning eerder te herkennen.
Of:
Bij afstand in relaties voel ik snel afwijzing. Ik wil onderzoeken wat daar bij mij gebeurt en meer ruimte leren houden tussen gevoel en reactie.
Zelfonderzoek vervangt geen professionele diagnostiek.
Het kan wel helpen beter te begrijpen waar je hulp bij nodig hebt.
Wat weten we wel?
We weten dat ADHD een neuro-ontwikkelingsbeeld is met een belangrijke genetische component. (Nature)
We weten dat autisme samenhangt met de ontwikkeling van het brein en dat behoeften en functioneren sterk tussen mensen verschillen. (Wereldgezondheidsorganisatie)
We weten dat ernstige vroege bedreiging en deprivatie op groepsniveau samenhangen met verschillen in verschillende executieve functies. (JAMA Network)
We weten dat ADHD en belastende jeugdervaringen statistisch vaker samen kunnen voorkomen, zonder dat daarmee een eenvoudige causale richting is aangetoond. (PubMed)
We weten dat ouder-kindhechting op groepsniveau samenhangt met aspecten van emotionele ontwikkeling en regulatie. (PubMed)
En we weten dat de therapeutische alliantie consistent samenhangt met behandelresultaten, zonder dat daaruit volgt dat de relatie de enige werkzame factor is. (PubMed)
Maar we weten daarmee niet dat trauma ADHD veroorzaakt.
We weten niet dat onveilige hechting ADHD of autisme veroorzaakt.
En we kunnen niet vanuit één concentratieprobleem, emotionele reactie of relationeel patroon terugredeneren naar één specifieke jeugdoorzaak.
Daarom wil ik breder kijken zonder alles met elkaar te vermengen.
Overlap is niet hetzelfde als oorzaak. Maar overlap is wél een reden om nieuwsgierig te blijven.
Soms verandert ook de groep die binnen een diagnostische categorie valt
Een grote Deense cohortstudie uit 2026 zette mij hierover opnieuw aan het denken.
Onderzoekers bekeken ruim 17.000 mensen met een autismediagnose en ruim 20.000 mensen met ADHD, gediagnosticeerd tussen 1994 en 2016. Zij onderzochten onder meer hoe genetische risicoprofielen veranderden naar kalenderjaar van diagnose.
Gemiddeld namen diagnosespecifieke genetische bijdragen in later gediagnosticeerde groepen af. De onderzoekers interpreteren hun resultaten als passend bij een verbreding van de populatie die in de loop van de tijd een diagnose kreeg. (JAMA Network)
Daar moeten we niet méér van maken dan het onderzoek laat zien.
Het betekent niet dat recentere diagnoses minder echt of minder geldig zijn.
Het bewijst geen overdiagnose.
Het betekent niet dat genetische factoren onbelangrijk zijn.
En deze studie zegt niets over trauma of hechting als alternatieve verklaring.
Voor mij roept zij vooral deze vraag op:
Als de groep mensen die onder één diagnostische categorie valt breder wordt, wordt het dan niet juist belangrijker om het individuele ontwikkelingsverhaal zorgvuldig te blijven onderzoeken?
Niet minder.
Maar meer.
Van classificeren naar begrijpen
Hier raakt mijn zoektocht aan een actuele discussie binnen de psychiatrie.
Psychiater en hoogleraar Jim van Os stelde in 2026 in Nature fundamentele vragen bij de manier waarop psychiatrische classificaties worden gebruikt. In zijn opiniestuk pleit hij ervoor minder nadruk te leggen op het steeds verder verfijnen van diagnostische categorieën en meer aandacht te geven aan wat individuele mensen daadwerkelijk nodig hebben. (Nature)
Dat is een visie binnen een breder debat.
Het is geen bewijs dat psychiatrische classificaties waardeloos zijn.
Mijn eigen positie is dan ook niet:
classificeren óf begrijpen.
Maar:
classificeren én vervolgens verder begrijpen.
Een diagnose kan een patroon helpen herkennen.
Daarna kunnen andere vragen beginnen.
Hoe is deze persoon vastgelopen?
Wanneer werden problemen zichtbaar?
Welke kwetsbaarheid was misschien al aanwezig?
Wat speelde er in de jeugd?
Welke ervaringen hebben iemand gevormd?
Welke manieren ontwikkelde iemand om met spanning om te gaan?
Wat kwam later boven op een oorspronkelijke kwetsbaarheid?
En waar lijdt iemand vandaag werkelijk onder?
Een classificatie helpt overeenkomsten herkennen. Het ontwikkelingsverhaal helpt ons de unieke mens opnieuw te zien.
Wanneer ik bijvoorbeeld zeg:
Misschien probeert controle onzekerheid te verminderen.
Of:
Misschien probeert perfectionisme afwijzing te voorkomen.
dan zijn dat hypothesen.
Geen feiten.
Dat zijn mogelijkheden. Geen diagnoses.
Niet te snel weten.
Een mens is groter dan zijn diagnose
Misschien is dat uiteindelijk waar deze hele zoektocht mij brengt.
Niet naar minder diagnoses.
Niet naar meer diagnoses.
Maar naar de vraag of we achter een diagnose de mens blijven zien.
Zijn aanleg, temperament en zenuwstelsel.
Zijn relaties, jeugd, verdriet en successen.
De manieren waarop hij zichzelf leerde beschermen.
Maar ook zijn kwaliteiten, veerkracht, vermogen om opnieuw te leren, andere relaties aan te gaan en zichzelf anders te leren begeleiden.
Want ontwikkeling stopt niet wanneer je achttien wordt.
En ook niet wanneer je een diagnose krijgt.
Misschien moeten we daarom naast:
Welke diagnose past bij deze persoon?
nog andere vragen blijven stellen:
Wat heeft iemand meegemaakt? Wanneer zijn de problemen ontstaan? Waar heeft bepaald gedrag ooit bij geholpen? Hoe heeft iemand geleerd met spanning en relaties om te gaan? Waar loopt deze persoon vandaag tegenaan?
En uiteindelijk misschien:
Wat heeft deze persoon vandaag nodig om zich veilig genoeg te voelen om niet alleen te overleven, maar werkelijk te kunnen leven?
Een diagnose kan iets ontzettend belangrijks vertellen.
Soms kan zij zelfs een leven veranderen.
Maar:
Een diagnose beschrijft een ontwikkelingsbeeld. Zij beschrijft niet automatisch de volledige ontwikkeling van een mens.
En misschien is dat precies waarom een mens altijd groter blijft dan de naam die we aan zijn klachten geven.
9. Niet van diagnose naar twijfel, maar van diagnose naar verdieping
Misschien is dat uiteindelijk de beweging die ik met dit artikel wil maken.
Niet van diagnose naar twijfel, maar van diagnose naar verdieping.
Niet alleen:
Wat heeft iemand?
Maar ook:
Wat heeft iemand gevormd?
Wat was er misschien van nature al aanwezig?
Welke ervaringen heeft iemand onderweg opgedaan?
Hoe heeft iemand geleerd met spanning, relaties en kwetsbaarheid om te gaan?
Welke manieren van zelfbescherming zijn onderweg ontstaan?
Wat was ooit behulpzaam?
En wat heeft deze persoon vandaag nodig om meer draagkracht en keuze te ontwikkelen?
Er is geen goede wetenschappelijke basis voor de eenvoudige uitspraak dat trauma, chronische stress, opvoeding of onveilige hechting ADHD of autisme veroorzaakt.
Wel kunnen een neurobiologische kwetsbaarheid, vroege ervaringen, traumagerelateerde klachten, ernstige jeugdbelasting, relaties en beschermingspatronen binnen dezelfde persoon naast elkaar bestaan en zich gedurende een leven met elkaar verweven.
Overlap in klachten betekent niet automatisch dat het ene het andere veroorzaakt.
En groepsbevindingen zeggen nooit precies wat er bij één individueel mens is gebeurd.
Dat is geen reden om een diagnose ter discussie te stellen.
Het is een reden om nieuwsgierig te blijven.
Een diagnose kan iets belangrijks benoemen.
Maar een mens leren kennen vraagt meer.
Het vraagt nieuwsgierigheid naar diens aanleg, ervaringen, lichaam, relaties, familiegeschiedenis, beschermingspatronen, verliezen, veerkracht en talenten — en naar de manier waarop al die lagen in één leven bij elkaar zijn gekomen.
Daarom kom ik niet uit bij:
weg met de diagnose.
Maar wel bij:
laat de diagnose nooit het einde van het gesprek zijn.
Misschien kunnen we steeds opnieuw teruggaan naar een paar eenvoudige vragen:
Wat was er al?
Wat heb ik meegemaakt?
Wat heb ik geleerd om mezelf staande te houden?
Wat gebeurt er vandaag in mij?
Wat heb ik nodig om vrijer te kunnen leven?
Een diagnose kan een beginpunt zijn voor begrip.
Het levensverhaal helpt ons zien wie de mens achter die diagnose is.
En misschien begint verandering soms precies daar:
niet alleen bij een betere verklaring,
maar bij een nieuwe ervaring —
met jezelf én met een ander mens.
Wetenschappelijke afbakening
Dit artikel stelt nadrukkelijk niet dat ADHD of autisme veroorzaakt worden door trauma, chronische stress, opvoeding of onveilige hechting.
Ook betekent overlap in klachten of gedrag niet dat ADHD, autisme, PTSS, CPTSS, traumagerelateerde klachten en hechtingsproblematiek hetzelfde zijn.
ADHD en autisme behoren binnen de gangbare classificatiesystemen tot de neuro-ontwikkelingsstoornissen. PTSS en CPTSS vallen binnen de ICD-11 onder stoornissen die specifiek samenhangen met stress. (Wereldgezondheidsorganisatie)
De sterkste onderzoeksbevindingen over executieve functies in relatie tot vroege belasting komen vooral uit onderzoek naar bedreiging, mishandeling, ernstige verwaarlozing, traumatische ervaringen en deprivatie. Die bevindingen mogen niet rechtstreeks worden vertaald naar onveilige hechting. (JAMA Network)
Onderzoek beschrijft bovendien vaak gemiddelde verbanden binnen groepen. Het kan niet zonder individueel onderzoek vaststellen waardoor klachten bij één specifieke persoon zijn ontstaan.
Ook bij intergenerationele traumatisering is voorzichtigheid nodig. Psychologische, relationele, maatschappelijke en mogelijk biologische processen kunnen een rol spelen, maar dit betekent niet dat trauma eenvoudig als een vast biologisch pakket van generatie op generatie wordt doorgegeven. (PubMed Central (PMC))
Holding is een begrip uit de psychodynamische en psychotherapeutische traditie.
De begrippen basisvertrouwen, reflexmatige zelfzorg, constructieve zelfbegeleiding, fundamentele goedheid en zelfleiderschap gebruik ik binnen mijn therapeutische en Zijnsgeoriënteerde kader. Het zijn niet allemaal gestandaardiseerde psychiatrische of wetenschappelijke constructen.
Daarom blijft het belangrijk onderscheid te maken:
Onveilige hechting is niet hetzelfde als trauma.
Trauma is niet hetzelfde als mishandeling.
PTSS en CPTSS zijn niet hetzelfde als onveilige hechting.
Onveilige hechting is niet hetzelfde als een klinische hechtingsstoornis.
En geen van deze begrippen is op zichzelf een verklaring voor ADHD of autisme.
Verder lezen
De verborgen biologische gevolgen van onveilige hechting — over langdurige stress, het lichaam en het zenuwstelsel.
Lees het artikel
Wat als psychisch lijden voortkomt uit onveilige hechting en een verstoord basisvertrouwen? — over hechting, psychisch lijden en basisvertrouwen.
Lees het artikel
Van overleven naar Zijn — over mijn persoonlijke ontwikkelingsweg, analyseren, voelen, holding en opnieuw leren vertrouwen.
Geraadpleegde wetenschappelijke bronnen
Demontis, D., Walters, G. B., Athanasiadis, G., et al. (2023). Genome-wide analyses of ADHD identify 27 risk loci, refine the genetic architecture and implicate several cognitive domains. Nature Genetics, 55, 198–208. (Nature)
World Health Organization. (2024). Clinical descriptions and diagnostic requirements for ICD-11 mental, behavioural and neurodevelopmental disorders. (Wereldgezondheidsorganisatie)
National Institute for Health and Care Excellence. Attention deficit hyperactivity disorder: diagnosis and management (NG87). (Nice)
Cooke, J. E., Kochendorfer, L. B., Stuart-Parrigon, K. L., Koehn, A. J., & Kerns, K. A. (2019). Parent-child attachment and children's experience and regulation of emotion: A meta-analytic review. Emotion, 19(6), 1103–1126. (PubMed)
Johnson, D., Policelli, J., Li, M., et al. (2021). Associations of Early-Life Threat and Deprivation With Executive Functioning in Childhood and Adolescence: A Systematic Review and Meta-analysis. JAMA Pediatrics, 175(11), e212511. (JAMA Network)
Op den Kelder, R., Van den Akker, A. L., Geurts, H. M., Lindauer, R. J. L., & Overbeek, G. (2018). Executive functions in trauma-exposed youth: a meta-analysis. European Journal of Psychotraumatology, 9(1), 1450595. (Taylor & Francis Online)
Zhang, N., Gao, M., Yu, J., et al. (2022). Understanding the association between adverse childhood experiences and subsequent attention deficit hyperactivity disorder: A systematic review and meta-analysis of observational studies. Brain and Behavior, 12, e2748. (PubMed)
Stern, A., Agnew-Blais, J., Danese, A., et al. (2018). Associations between abuse/neglect and ADHD from childhood to young adulthood: A prospective nationally-representative twin study. Child Abuse & Neglect, 81, 274–285. (PubMed)
Sarr, R., Spain, D., Quinton, A. M. G., Happé, F., Brewin, C. R., et al. (2025). Differential diagnosis of autism, attachment disorders, complex post-traumatic stress disorder and emotionally unstable personality disorder: A Delphi study. British Journal of Psychology, 116(1), 1–33. (PubMed)
Yehuda, R., & Lehrner, A. (2018). Intergenerational transmission of trauma effects: putative role of epigenetic mechanisms. World Psychiatry, 17(3), 243–257. (PubMed Central (PMC))
Flückiger, C., Del Re, A. C., Wampold, B. E., & Horvath, A. O. (2018). The alliance in adult psychotherapy: A meta-analytic synthesis. Psychotherapy, 55(4), 316–340. (PubMed)
LaBianca, S., Lousdal, M. L., Dybdahl Krebs, M., et al. (2026). Changes in Genetic Contributions to ASD and ADHD by Year of Diagnosis. JAMA Psychiatry, 83(9), 921–929. (JAMA Network)
Van Os, J. (2026). Updates to the ‘bible’ for mental-health conditions will miss the mark — is it time to ditch the DSM? Nature, 650, 526. (Nature)
Disclaimer
Dit artikel is bedoeld ter informatie, bewustwording en reflectie. Het is geen hulpmiddel voor zelfdiagnose en vervangt geen individuele diagnostiek, behandeling of medisch advies.
Onderzoek dat in dit artikel wordt besproken beschrijft vaak gemiddelden en verbanden binnen groepen. Zulke bevindingen kunnen niet zonder individueel onderzoek worden gebruikt om vast te stellen waardoor klachten bij één specifieke persoon zijn ontstaan.
Herken je jezelf in bepaalde klachten of vragen, bespreek die dan zo nodig met een daarvoor gekwalificeerde professional.
Ontwikkelingsgerichte of Zijnsgeoriënteerde begeleiding kan aanvullende ondersteuning bieden bij thema’s als zelfonderzoek, basisvertrouwen, relationele patronen, lichaamsbewustzijn, emotieregulatie en zelfbegeleiding, maar is geen vervanging voor gespecialiseerde medische of psychologische behandeling wanneer die geïndiceerd is.
