Van veiligheid organiseren naar veiligheid ervaren
HECHTINGBASISVERTROUWENPATRONEN
Niel Rijsdijk
8/26/202621 min read


Wat ik in de stilte ontdekte over mijn voortdurende behoefte om iets te doen
Wat als je al vroeg heel intelligente manieren hebt ontwikkeld om met onveiligheid om te gaan?
Niet intelligent in de zin dat je daar als kind bewust over nadacht of een strategie voor bedacht. Maar intelligent omdat je je aanpaste aan wat er op dat moment nodig leek: om de verbinding te behouden, spanning en onvoorspelbaarheid te verminderen, om te gaan met het verlies van emotionele verbinding of dreigende situaties, en om liefde, aandacht, erkenning en bevestiging te krijgen.
Misschien leerde je goed aanvoelen hoe het met anderen ging. Ging je veel verantwoordelijkheid dragen, voor iedereen zorgen, jezelf aanpassen, presteren, sterk zijn, alles zelf oplossen of juist voortdurend bezig blijven.
Gedrag dat aan de buitenkant betrokken, zelfstandig en verantwoordelijk kan lijken — en dat vaak ook werkelijk is — maar dat daarnaast een beschermende functie kan hebben gekregen.
Wat ooit een intelligente manier was om liefde, aandacht, erkenning en veiligheid te organiseren, kan later een automatisch patroon worden waardoor je voortdurend iets moet doen om je veilig genoeg te voelen.
Dat begon ik jaren geleden bij mezelf steeds scherper te zien.
Laatst reed ik op mijn fiets door mijn eigen omgeving. Ik was nog geen paar minuten onderweg — misschien vijftig meter van mijn huis. Geen vakantie, geen retraite, geen bijzondere bestemming. Ik fietste gewoon.
En ineens merkte ik hoe fijn ik me voelde. Ik keek om me heen, voelde de buitenlucht en dacht: “Wat kan ik hier eigenlijk intens van genieten.” Er gebeurde niets bijzonders. En juist daarom raakte het me.
Jaren geleden zat ik op een stilteretraite. Ook toen gebeurde er aan de buitenkant vrijwel niets. Alles om mij heen was stil. Maar in mij was alles behalve stil.
Mijn lichaam zat stil. Mijn hoofd rende door.
En ergens tussen die twee momenten — toen op een meditatiekussen en nu op mijn fiets — ligt voor mij een belangrijk deel van wat ik ben gaan begrijpen over basisvertrouwen.
Alles was stil, behalve ik
Ik was naar die retraite gegaan om dieper contact te maken met mezelf. De dagen waren eenvoudig: lichaamswerk, zitmeditatie, loopmeditatie, eten, stilte. Er hoefde vrijwel niets. Precies waar ik naar verlangde, zou je denken: rust.
Maar toen de buitenwereld stiller werd, begon ik pas goed te zien hoeveel beweging er voortdurend in míj zat. Mijn toekomst. Liefde. Geld. Zingeving. Alles wat ik nog wilde leren en onderzoeken. Mijn plannen, mijn verlangens, zelfs mijn to-do- en bucketlist.
Mijn hoofd wilde weten, begrijpen, vooruitkijken, oplossen. Ik noemde dat destijds in mijn paper een actietendens. Zelfs terwijl ik stilzat, bleef iets in mij bezig iets te bewerkstelligen.
Achteraf kan ik erom lachen: zelfs van een stilteretraite wist ik blijkbaar een project te maken.
Wat is dat toch met die ontdekkende, nieuwsgierige en zoekende beweging in mij?
Wanneer wordt zoeken minder vrij?
Want ik bén nieuwsgierig. Ik houd van ontdekken, leren, muziek maken, nieuwe ideeën en ervaringen. Dat wil ik helemaal niet kwijtraken.
Maar tijdens die retraite begon ik een verschil te voelen. Er is “Ik heb zin om iets te doen” en er is “Ik móét iets doen, omdat nietsdoen ongemakkelijk wordt.”
Er is bewegen vanuit levenslust. En er is bewegen omdat stilvallen iets voelbaar maakt waar je misschien liever van wegblijft.
Dat verschil is van buitenaf soms nauwelijks zichtbaar. In beide gevallen kan iemand actief, ondernemend, behulpzaam of ambitieus zijn. Het verschil zit vooral in de innerlijke vrijheid.
Kan ik iets doen én het ook laten? Of ontstaat er spanning wanneer ik stop?
Mijn vraag veranderde daardoor:
Waar brengt mijn drive mij naartoe… en waar houdt hij mij soms vandaan?
Misschien is dat ook een interessante vraag voor jou. Wanneer voelt jouw gedrevenheid vrij en levendig — en wanneer zit er iets dwingends onder? Kun je gemakkelijk een tijdje nietsdoen? Of begint er dan al snel iets in jou te zoeken naar een volgende taak, prikkel, oplossing, persoon of bestemming?
Hoe is jouw basisvertrouwen gevormd?
Ik gebruik het begrip basisvertrouwen vooral als een ervaringsmatig begrip. Hoe vanzelfsprekend voelt het diep vanbinnen dat je er mag zijn? Dat je steun kunt ontvangen? Dat verbinding niet onmiddellijk verdwijnt wanneer er spanning ontstaat? Dat moeilijke gevoelens er mogen zijn zonder dat je ze meteen hoeft op te lossen?
Basisvertrouwen ontstaat waarschijnlijk niet door één beslissend moment. Het ontwikkelt zich door heel veel ervaringen heen.
Een kind dat steeds opnieuw ervaart dat iemand beschikbaar is wanneer het bang, verdrietig of overstuur is, doet telkens opnieuw een ervaring op van nabijheid, voorspelbaarheid en herstel. Langzaam kunnen daar verwachtingen uit ontstaan als: ik kan op iemand terugvallen, verbinding kan worden hersteld, mijn gevoelens mogen bestaan en ik hoef dit niet helemaal alleen te dragen.
Maar ook het omgekeerde kan zich opstapelen. Het hoeft niet één groot traumatisch incident te zijn. Het kan juist gaan om herhaalde momenten waarin contact, emotionele beschikbaarheid of voorspelbaarheid onvoldoende vanzelfsprekend voelde.
Een kind maakt daar geen psychologische analyse van. Het voelt, kijkt, luistert en past zich aan.
En juist daar ontstaat die intelligentie van het jonge systeem.
Misschien leer je:
“Ik moet goed opletten hoe het met de ander gaat.”
“Ik kan beter niet te veel nodig hebben.”
“Als ik lief, behulpzaam of succesvol ben, blijft de verbinding misschien beter intact.”
“Als ik zelf de controle houd, word ik minder verrast.”
“Als ik voor anderen zorg, ervaar ik misschien zelf meer grip en verbinding.”
Dat zijn geen bewuste besluiten. Het zijn aanpassingen.
En wat op jonge leeftijd een intelligente manier kan zijn om met onzekerheid om te gaan, kan later zo vertrouwd worden dat het voelt alsof het gewoon je persoonlijkheid is.
Hoe vanzelfsprekend voelt veiligheid voor jou? Kun je ontspannen wanneer niet alles helder is? Als iemand die belangrijk voor je is even afstand neemt, kun je dat verdragen zonder onmiddellijk iets te hoeven doen? Kun je steun ontvangen en een ander nodig hebben? Of voelt afhankelijkheid al snel spannend?
Juist in zulke gewone situaties wordt soms zichtbaar hoe stevig of kwetsbaar ons basisvertrouwen is.
Onderzoek naar jeugdervaringen en stressregulatie laat daarbij een genuanceerd beeld zien. Een grote meta-analyse uit 2025, gebaseerd op 129 studies met ruim 32.000 kinderen en adolescenten, vond kleine verbanden tussen jeugdadversiteit en bepaalde aspecten van cortisolregulatie, maar geen universeel stresspatroon. Leeftijd, timing en aard van ervaringen spelen mee.
Voor mij is dat een belangrijk onderscheid.
Niet: “Mijn systeem is kapot.”
Maar eerder:
Mijn systeem heeft dingen geleerd.
En wat ooit geleerd is, hoeft niet in iedere nieuwe situatie automatisch de leiding te blijven nemen.
Compensatie kan er verrassend sterk uitzien
In mijn bestudering van het werk van psycholoog Martin Appelo herkende ik later een verwante beweging. Onveiligheid hoeft zich namelijk helemaal niet alleen te tonen als zichtbare angst, afhankelijkheid of kwetsbaarheid.
Ook sterke zelfstandigheid, overactiviteit en voortdurend bezig zijn kunnen soms een compenserende functie krijgen. Hard werken, veel sporten, presteren, altijd doorgaan, voor anderen zorgen, geen hulp vragen of alles zelf oplossen.
Aan de buitenkant kan iemand juist heel competent, verantwoordelijk en onafhankelijk overkomen. En misschien is iemand dat ook.
Dat vind ik belangrijk om erbij te zeggen. Niet iedere kwaliteit hoeft achteraf tot een probleem te worden verklaard.
Maar iets kan werkelijk een kwaliteit van je zijn én tegelijkertijd een beschermende functie hebben gekregen.
Je kunt van nature zorgzaam zijn én veiligheid proberen te organiseren door voor iedereen te zorgen. Je kunt ambitieus zijn én voelen dat je voortdurend iets moet bewijzen. Je kunt zelfstandig zijn én hebben geleerd dat afhankelijk zijn te kwetsbaar voelt. Je kunt analytisch sterk zijn én je denken soms gebruiken om niet helemaal te hoeven voelen wat eronder ligt.
Je kunt veel verantwoordelijkheid aankunnen én al vroeg hebben geleerd dat jij degene moet zijn die overzicht houdt.
Dat maakt die eigenschappen niet onecht. Het maakt ze menselijker.
Wat vroeger een intelligente aanpassing was aan onveiligheid, kan later een patroon worden dat je vrijheid beperkt.
Wat heb jij ooit geleerd te doen wanneer liefde, aandacht, erkenning, bevestiging of veiligheid onzeker voelde?
Ga je harder werken? Pleasen? Controleren? Analyseren? Voor iedereen zorgen? Veel verantwoordelijkheid dragen? Je aanpassen? Of probeer je juist niemand nodig te hebben?
En misschien nog belangrijker:
Wat hielp je vroeger overeind te blijven, maar beperkt tegenwoordig soms juist je vrijheid?
Van compensatie naar zelfverbetering
Binnen de opleiding leerde ik hiervoor twee begrippen kennen: het compensatieproject en het zelfverbeteringsproject.
Chris Kersten beschrijft hoe we een vaak impliciet ideaalbeeld van onszelf kunnen ontwikkelen: een versie waarvan we hopen dat die meer liefde, waardering, erkenning, succes of veiligheid oplevert — of waarmee we afwijzing en pijn proberen te voorkomen.
Zo kan compensatie langzaam overgaan in een voortdurend project van zelfverbetering.
Dat begon ik bij mezelf te herkennen. Persoonlijke ontwikkeling werd dan niet alleen: “Ik ben nieuwsgierig naar mezelf.” Er kwam soms een andere ondertoon bij:
Ik móet mezelf nog beter begrijpen.
Ik móet dit patroon oplossen.
Ik móet verder komen.
Ik móet vrijer worden.
Van buitenaf kan dat er prachtig uitzien: lezen, onderzoeken, opleidingen volgen, mediteren, therapie, coaching, bewuster leven.
Maar onder al die ontwikkeling kan tegelijkertijd een oude boodschap blijven bestaan:
“Zoals ik nu ben, ben ik kennelijk nog niet helemaal goed genoeg.”
Welke versie van jezelf probeer jij eigenlijk nog steeds te worden? Sterker? Rustiger? Succesvoller? Aantrekkelijker? Wijzer? Onafhankelijker? Meer ontwikkeld?
En wat hoop je dat er gebeurt wanneer je daar eindelijk bent?
Dan kan ik ontspannen. Dan kiest iemand voor mij. Dan word ik niet afgewezen. Dan ben ik goed genoeg. Dan ben ik veilig.
Soms vertelt ons ideale zelf verrassend veel over wat we diep vanbinnen hopen te ontvangen.
Zelfs van Zijn kon ik een project maken
Ironisch genoeg was ik op die retraite juist gekomen om meer te Zijn. Om stil te worden en mezelf te ontmoeten.
En tóch werd ook dat alweer een doel.
Hoe word ik rustiger? Waarom denk ik zoveel? Wat moet ik nog begrijpen? Welke laag zit hieronder? Hoe kom ik verder? Wanneer bereik ik eindelijk die rust waar ik naar zoek?
Mijn actietendens was niet verdwenen. Hij had alleen andere kleding aangetrokken.
Zelfs mijn verlangen naar vrijheid kreeg iets sturends: niet alleen vrij zijn, maar vrij worden. En zo creëerde ik alweer een toekomstig punt waarop ik kennelijk pas écht mocht ontspannen.
Ik zocht niet alleen rust. Ik organiseerde voortdurend de voorwaarden waaronder ik mezelf rust zou toestaan.
Tijdens de retraite schreef ik: “Het niet kunnen rusten in Zijn, het steeds willen ontsnappen van de opkomende gevoelens voelde als een overlevingsstrategie.”
Tegenwoordig zou ik dat iets milder formuleren. Misschien had ook mijn denken een beschermende functie gekregen.
Denken is een kracht van mij: analyseren, verbanden leggen, vooruitdenken, problemen oplossen, begrijpen.
Maar in de stilte ontdekte ik dat mijn hoofd mij niet alleen ergens naartoe bracht. Het hield mij soms ook ergens vandaan.
Van onzekerheid, verdriet, machteloosheid, leegte.
Je kunt blijkbaar soms een gevoel proberen op te lossen voordat je het werkelijk hebt gevoeld.
Niet ieder gevoel vraagt om een handeling
Pas later begreep ik beter wat ik tijdens die retraite eigenlijk oefende.
Meditatie ging voor mij niet primair over mijn hoofd stil krijgen. Het ging over iets fundamentelers:
Niet iedere innerlijke beweging meteen opvolgen.
Binnen de opleiding leerde ik mijn aandacht terug te brengen naar mezelf, met het lichaam als anker.
Want een gevoel komt vaak niet alleen. Vrijwel onmiddellijk verschijnt er een beweging achteraan.
Bij angst: “Doe iets.”
Bij onzekerheid: “Zoek zekerheid.”
Bij gemis: “Vul mij.”
Bij spanning: “Los het op.”
Zelfs denken kan een handeling worden: analyseren, verklaringen zoeken, scenario’s maken, oplossingen bedenken.
Mijn lichaam zat stil, maar vanbinnen bleef ik werken.
In het meditatiemateriaal uit de opleiding kwam een derde mogelijkheid naar voren: een emotie niet onderdrukken, maar haar actietendens ook niet automatisch uitvoeren. Eerst voelen wat er werkelijk gebeurt.
Dat maakte meditatie voor mij veel concreter.
Niet: “Hoe krijg ik mijn onrust weg?”
Maar: “Kan ik bij mijn onrust blijven zonder meteen te doen wat ze van mij vraagt?”
Wat gebeurt er bij jou wanneer iets ongemakkelijks of pijnlijks opkomt? Kun je het een moment laten bestaan? Of begint er onmiddellijk iets in jou te handelen — piekeren, appen, bellen, controleren, werken, eten, zorgen of je terugtrekken?
Wat is jouw automatische beweging bij ongemak?
Onderzoek naar meditatie laat samenhangen zien met activiteit in hersengebieden die onder andere betrokken zijn bij aandacht, bewustzijn en zelfmonitoring. Dat betekent niet dat meditatie onveilige hechting simpelweg ‘repareert’ of dat oude patronen zomaar uitgewist worden.
Mijn belangrijkste ontdekking was eigenlijk veel eenvoudiger:
Niet ieder gevoel vraagt om een handeling.
Soms ontstaat er eerst iets anders: een kleine tussenruimte.
Er is spanning. En er hoeft nog niets te gebeuren.
Alleen dát besef voelde al als vrijheid.
Van zelfverbetering naar zelfverwelkoming
Dat veranderde ook mijn kijk op zelfverwelkoming.
Aan de oppervlakte klinkt dat misschien eenvoudig: wees vriendelijk voor jezelf. Maar er zit voor mij iets fundamentelers onder.
Het zelfverbeteringsproject zegt: er moet eerst iets aan mij veranderen.
Zelfverwelkoming vraagt: kan degene die er nu al is ook welkom zijn?
Niet alleen de rustige en begrijpende versie, maar ook degene die onzeker is, bang, verdrietig, boos, behoeftig, jaloers of degene die alles zo snel mogelijk opgelost wil hebben.
We begonnen zo’n oefening niet met “alles is goed”. We begonnen met aandacht. Mijn handen, mijn borst, mijn voeten, mijn ademhaling.
Wat is hier werkelijk?
Niet wat ik zou móéten voelen, maar wat er nu is.
En vervolgens: kan ook dát welkom zijn?
Welke delen van jezelf zijn gemakkelijk welkom — en welke eigenlijk alleen als ze zich goed gedragen?
Kun je jezelf ontvangen wanneer je sterk bent? Waarschijnlijk wel. Maar ook wanneer je onzeker bent? Wanneer je iemand nodig hebt? Wanneer je bang bent dat iemand vertrekt? Wanneer je boos bent? Wanneer je niet weet wat je moet doen?
Of moet die versie van jou zo snel mogelijk weer verdwijnen?
Kersten vat deze beweging in drie eenvoudige stappen samen: eerst zien wat er in je leeft, vervolgens erkennen wat er leeft zonder oordeel, en daarna pas kiezen of je erop ingaat.
Mijn oude reflex was:
Spanning → ik moet iets doen.
Nu komt er iets tussen:
Er is spanning. Ik merk dat iets in mij die spanning weg wil hebben. Ook dát mag ik opmerken. En ik hoef nog niets te doen.
Voor mij raakt dit aan werkelijk zelfleiderschap. Niet jezelf beheersen of onderdrukken, maar voldoende bij jezelf kunnen blijven om niet automatisch iedere impuls te volgen.
Onderzoek naar zelfcompassie laat eveneens zien dat minder repetitief negatief denken en minder ervaringsvermijding samenhangen met betere psychologische uitkomsten. Zelfverwelkoming is niet precies hetzelfde als zelfcompassie, maar ik herken wel een verwante beweging: van onmiddellijk willen veranderen wat je voelt, naar leren blijven bij wat er is.
Zoals ik later in mijn afstudeerpaper schreef:
“Ik leerde mijn binnenwereld bewonen.”
Niet iedere keer het huis uit hoeven wanneer er binnen iets onaangenaams gebeurt.
En wat gebeurt er in relaties?
Ook in relaties begon ik deze patronen steeds scherper te herkennen.
Ik kan goed afstemmen op een ander. Meedenken, helpen, zorgen, verantwoordelijkheid nemen. Daar zit iets oprechts in. Ik geef om mensen en verbinding is belangrijk voor mij.
Tegelijkertijd leerde ik steeds beter onderscheid maken tussen liefde en relationele compensatie.
Want onder oprechte zorg kan tegelijkertijd iets anders meebewegen:
“Als jij oké bent, kan ik ontspannen.”
“Als onze verbinding goed is, ben ik veilig.”
“Als jij mij nodig hebt, raak ik je misschien niet kwijt.”
Dat maakt liefde of zorg niet onecht.
We kunnen oprecht liefhebben en tegelijkertijd oude bescherming meenemen in de manier waarop we liefhebben.
Wanneer we als kind onvoldoende emotionele veiligheid, voorspelbaarheid, afstemming of bevestiging hebben ervaren, kan er later een sterke gerichtheid op relaties ontstaan. Via de ander proberen we dan soms alsnog iets te vinden wat van binnen kwetsbaar is gebleven: veiligheid, erkenning, nabijheid, bestaansrecht of het gevoel werkelijk gekozen en geliefd te zijn.
Dat kan zich heel verschillend uiten.
De één gaat pleasen, zorgen en aanpassen.
Een ander probeert controle te houden.
Iemand anders trekt zich terug zodra nabijheid spannend wordt.
Weer iemand zoekt veel bevestiging, bewondering of aandacht.
En soms wisselen die bewegingen elkaar af.
Wat aan de buitenkant zorgzaamheid, onafhankelijkheid, kracht of romantische intensiteit lijkt, kan van binnen tegelijkertijd een poging zijn om oude pijn niet opnieuw te hoeven voelen.
Daarom werd voor mij een belangrijke vraag:
Ben ik vrij in wat ik doe, of heb ik dit nodig om mij veilig te voelen in de relatie?
Stel dat iemand van wie je houdt afstandelijker wordt.
Wat gebeurt er dan in jou?
Kun je merken dat het je raakt en bij jezelf blijven?
Of gaat je systeem onmiddellijk proberen de verbinding te herstellen?
Ga je meer geven, uitleggen, aanpassen, zorgen, controleren of bevestiging zoeken?
Probeer je onmisbaar te worden?
Of gebeurt juist het tegenovergestelde?
Trek je je terug, rationaliseer je wat je voelt of overtuig je jezelf ervan dat je de ander eigenlijk niet nodig hebt?
Ook dat zijn vormen van bescherming.
Bij een kwetsbaar basisvertrouwen kan daardoor een dubbele beweging ontstaan:
Ik wil dichtbij je zijn, maar ik ben ook bang mezelf in jou kwijt te raken.
Ik wil niet verlaten worden, maar ik wil ook niet afhankelijk worden.
Daar kunnen verlatingsangst en bindingsangst elkaar raken.
De ene beweging zoekt nabijheid omdat afstand onveilig voelt.
De andere zoekt afstand omdat nabijheid onveilig voelt.
En soms bestaan beide bewegingen in dezelfde persoon.
Zo kunnen patronen ontstaan van aantrekken en afstoten, zoeken en terugtrekken, intens verbinden en vervolgens weer afstand nemen.
Wat gebeurt er als een relatie minder vervullend wordt?
Juist in langdurige relaties wordt nog iets anders zichtbaar.
De eerste verliefdheid wordt rustiger.
De spanning verandert.
Seksualiteit kan minder vanzelfsprekend worden.
Je voelt je misschien minder begeerd, gezien of emotioneel verbonden.
Er ontstaat afstand, irritatie of verveling.
Dat hoeft op zichzelf niets vreemds te zijn. Langdurige liefde is niet voortdurend intens en intimiteit ontwikkelt zich door verschillende fases heen.
Maar juist op zulke momenten kunnen oude hechtingspatronen opnieuw worden geactiveerd.
Kun je dan zeggen:
“Ik mis je.”
“Ik voel me niet meer echt gezien.”
“Ik mis intimiteit tussen ons.”
“Ik verlang naar meer seksualiteit.”
“Ik ervaar afstand en dat raakt mij.”
“Ik wil graag begrijpen wat er tussen ons gebeurt.”
Dat vraagt kwetsbaarheid.
Want daarmee laat je niet alleen zien wat je nodig hebt, maar ook dat de ander belangrijk voor je is.
En precies dat kan spannend zijn wanneer oude ervaringen van afwijzing, verlating of afhankelijkheid worden geraakt.
Dan kan er een andere beweging ontstaan.
In plaats van naar jezelf en naar elkaar toe te bewegen, probeer je buiten de relatie te reguleren wat binnen de relatie pijn doet.
Je zoekt aandacht.
Je flirt.
Je zoekt iemand bij wie je je opnieuw gezien voelt.
Je verlangt naar de spanning van een nieuwe ontmoeting.
Je zoekt seksuele bevestiging.
Je ontwikkelt een emotioneel intiem contact met iemand anders.
Of je raakt vooral gehecht aan het gevoel dat iemand jou opnieuw aantrekkelijk, interessant of bijzonder vindt.
Nieuwe aandacht kan dan tijdelijk iets geven:
ik word gezien.
ik ben gewenst.
iemand kiest voor mij.
ik ben aantrekkelijk.
ik ben belangrijk.
ik voel weer iets.
Dat hoeft niet automatisch te betekenen dat iemand niet van zijn partner houdt.
Het kan ook betekenen dat een oude hechtingslaag via een nieuwe verbinding wordt gereguleerd.
In mijn onderzoek kwam ik hiervoor het begrip hechtingscompulsie tegen: het steeds opnieuw zoeken naar emotionele of romantische verbinding om gevoelens van leegte, afwijzing of verlatenheid tijdelijk te verzachten.
Er kan dan een cyclus ontstaan:
gemis → spanning → bevestiging zoeken → nieuwe verbinding → tijdelijke vervulling → opnieuw onzekerheid of leegte → opnieuw zoeken.
Zo kan iemand gedurende zijn leven steeds opnieuw emotionele verbinding zoeken, ook wanneer er al een relatie is.
Niet noodzakelijk omdat iedere bestaande relatie verkeerd is, maar omdat geen enkele partner permanent kan herstellen wat diep van binnen nog kwetsbaar is gebleven.
Wanneer zoeken een manier wordt om pijn te vermijden
Daarbij is een belangrijke nuance nodig.
Vreemdgaan, verliefd worden op iemand anders, een nieuwe relatie beginnen of uit elkaar gaan zijn op zichzelf geen hechtingsstrategieën. Mensen kunnen daar allerlei redenen voor hebben en soms is het beëindigen van een relatie juist een gezonde en volwassen keuze.
Maar zulke gedragingen kunnen wel onderdeel worden van een relationeel compensatiepatroon.
Bijvoorbeeld wanneer iemand telkens wanneer intimiteit afneemt, nabijheid ingewikkeld wordt of afwijzing wordt ervaren, een nieuwe verbinding nodig heeft om de onderliggende pijn te verzachten.
Dan wordt de vraag niet alleen:
“Wil ik nog wel bij deze persoon zijn?”
Maar ook:
“Wat gebeurt er in mij wanneer ik mij niet meer gezien, begeerd, gekozen of verbonden voel?”
Kan ik die pijn verdragen zonder onmiddellijk te handelen?
Kan ik mijn behoefte uitspreken?
Kan ik mijn eigen aandeel onderzoeken?
Kan ik samen proberen opnieuw intimiteit op te bouwen?
Kan ik verdragen dat een relatie tijdelijk minder vervullend voelt?
Of heb ik iets of iemand anders nodig om mijzelf weer aantrekkelijk, geliefd of levend te voelen?
Juist bij sterke afwijzingsgevoeligheid kan nieuwe aandacht buiten de relatie heel krachtig werken.
Wanneer diep van binnen snel wordt geraakt:
“Ik ben niet belangrijk.”
“Ik word niet gekozen.”
“Ik ben niet aantrekkelijk genoeg.”
“De ander wil mij niet meer.”
kan de belangstelling van iemand anders veel meer worden dan alleen lust of spanning.
Het kan tijdelijk functioneren als bevestiging van eigenwaarde en bestaansrecht.
En juist daardoor kan buiten jezelf zoeken aantrekkelijker worden dan werkelijk voelen wat er in jezelf en in de bestaande relatie gebeurt.
De innerlijke criticus in relaties
Ook de innerlijke criticus kan hierin een belangrijke rol spelen.
Die controleert voortdurend:
Doe ik het wel goed?
Is de ander nog bij mij?
Ben ik aantrekkelijk genoeg?
Kan ik deze persoon vertrouwen?
Word ik straks verlaten?
Ben ik te afhankelijk?
Moet ik iets oplossen?
Moet ik mezelf beschermen?
De criticus probeert kwetsbaarheid en afwijzing te voorkomen.
Maar juist daardoor kan hij werkelijke intimiteit bemoeilijken.
Want intimiteit vraagt dat we ons laten zien zonder vooraf te weten hoe de ander zal reageren.
Dat we kunnen zeggen:
dit voel ik.
dit mis ik.
dit verlang ik.
dit doet pijn.
hier ligt mijn grens.
Zonder onmiddellijk te pleasen, controleren, vluchten, dicht te gaan of ergens anders bevestiging te zoeken.
Daarom werd voor mij uiteindelijk één vraag steeds wezenlijker:
Kun jij dichtbij iemand blijven zonder jezelf te verlaten?
Kun je voelen wat de ander voelt zonder het over te nemen?
Kun je van iemand houden zonder verantwoordelijk te worden voor diens innerlijke toestand?
Kun je verlangen naar verbinding zonder jezelf kleiner te maken om die verbinding te behouden?
Kun je een grens aangeven zonder onmiddellijk bang te zijn dat de liefde verdwijnt?
Kun je iemand missen zonder jezelf kwijt te raken?
Kun je ontvangen zonder eerst iets te hoeven verdienen?
En kun je verdragen dat een relatie soms niet onmiddellijk geeft waarnaar je verlangt, zonder direct een andere bron van bevestiging nodig te hebben?
Binnen mijn opleiding werd dit mooi zichtbaar in het onderscheid tussen de Liefdesmens en de Waarheidsmens.
De Liefdesmens is gericht op verbinding, harmonie en nabijheid.
De Waarheidsmens staat voor autonomie, helderheid en zelfbepaling.
Bij onveilige hechting kunnen beide bewegingen vervormen.
De Liefdesmens kan zichzelf verliezen in pleasen, zorgen en aanpassen.
De Waarheidsmens kan verharden in afstand, controle of het vermijden van kwetsbaarheid.
De ontwikkeling zit voor mij daarom niet in kiezen tussen verbinding en autonomie.
Maar in het samenbrengen van beide:
nabij én autonoom.
open én begrensd.
mild én helder.
Niet:
óf ik kies voor jou, óf ik kies voor mezelf.
Maar:
ik kan mij met jou verbinden en tegelijkertijd bij mezelf blijven.
Binnen de opleiding deden we een oefening van zelfontvankelijkheid tegenover anderen:
“Als ik ervan uitga dat ik echt welkom ben bij jullie, precies zoals ik ben, dan merk ik…”
“Als ik ervoor kies mijzelf hier tegenover jullie helemaal te laten zien, dan merk ik…”
Die oefening maakte voor mij iets wezenlijks zichtbaar.
Eerst:
kan ik bij mezelf blijven wanneer er spanning ontstaat?
Dan:
kan ik mezelf ontvangen in wat ik voel, zonder het onmiddellijk te veranderen of weg te maken?
En daarna:
durf ik mij daarmee werkelijk aan een ander te laten zien?
Niet als redder.
Niet als degene die alles oplost.
Niet als degene die zichzelf voortdurend aanpast.
Niet als degene die niemand nodig heeft.
Maar als mezelf.
Dat betekent natuurlijk niet dat we niemand nodig hebben.
Mensen hebben elkaar nodig.
We ontwikkelen ons in relatie en we reguleren elkaar. Juist nieuwe ervaringen van veilige, wederkerige en emotioneel beschikbare verbinding kunnen bijdragen aan het herstellen van basisvertrouwen.
Basisvertrouwen betekent voor mij daarom niet dat ik ervoor moet zorgen dat een ander nooit weggaat.
En ook niet dat ik niemand meer nodig zou hebben.
Werkelijke autonomie betekent voor mij:
Ik kan jou nodig hebben.
Ik kan van jou houden.
Ik kan mij diep met jou verbinden.
En tegelijkertijd hoef ik mezelf niet te verlaten om onze verbinding veilig te stellen.
Van inzicht naar een nieuwe ervaring
Alleen begrijpen waar een patroon vandaan komt, is meestal niet genoeg om het werkelijk te veranderen.
We kunnen heel goed weten waarom we pleasen, zorgen, controleren of bevestiging zoeken en tóch opnieuw hetzelfde doen zodra we geraakt worden.
Dat vind ik misschien wel één van de belangrijkste inzichten uit mijn eigen ontwikkeling. Je kunt ontzettend veel begrijpen. Je kunt je geschiedenis kennen, je patronen herkennen, weten wat hechting is en je triggers doorzien.
En tóch kan op het moment dat je werkelijk geraakt wordt iets ouds razendsnel worden geactiveerd.
Daarom kijk ik tegenwoordig niet alleen naar de vraag waar komt dit vandaan?, maar ook naar wat er nu gebeurt.
Wat was de trigger? Wat gebeurde er als eerste in mijn lichaam? Welke angst, spanning, schaamte of oude pijn werd geraakt? En wat deed ik vervolgens om mij weer veiliger te voelen?
Vaak wordt dan een soort keten zichtbaar:
trigger → activatie → oude pijn → overlevingsstrategie → relationeel gedrag
Denk eens aan een recente situatie. Iemand reageerde anders dan je hoopte. Er ontstond een conflict. Je voelde afstand. Je kreeg kritiek. Je werd niet gekozen. Er mislukte iets.
Wat gebeurde er als eerste in jou? En wat deed je vervolgens?
Ging je denken? Pleasen? Controleren? Uitleggen? Harder werken? Zorgen? Boos worden? Je terugtrekken? Bevestiging zoeken?
Daar wordt het patroon concreet.
En precies wanneer zo’n patroon zichtbaar wordt, ontstaat de mogelijkheid van iets nieuws.
Niet doordat je het oude deel van jezelf wegduwt, maar doordat je iets anders kunt ervaren: een correctieve emotionele of relationele ervaring.
Je kunt geraakt worden en niet onmiddellijk handelen. Een behoefte uitspreken en merken dat iemand blijft. Een grens aangeven en ervaren dat de relatie dat kan verdragen. Hulp vragen zonder je zwak te voelen. Iemand dichtbij laten komen zonder jezelf te hoeven aanpassen. Een conflict meemaken en ontdekken dat verbinding daarna kan worden hersteld.
Dan gebeurt er iets anders dan alleen een nieuw inzicht. Je maakt daadwerkelijk iets nieuws mee.
Ik kan geraakt worden en toch aanwezig blijven.
Ik kan mezelf laten zien en iemand blijft bij mij.
Ik kan een grens aangeven zonder dat de verbinding automatisch verdwijnt.
Ik hoef mezelf niet voortdurend aan te passen om welkom te zijn.
Ik kan mezelf dragen én mij laten dragen.
Natuurlijk wist één veilige ervaring een hele voorgeschiedenis niet uit. Oude patronen verdwijnen niet zomaar.
Maar nieuwe ervaringen kunnen naast oude verwachtingen komen te staan. En wanneer ze zich herhalen, kan langzaam veranderen wat we verwachten van onszelf, anderen en relaties.
Misschien is de vraag daarom niet alleen:
“Waarom ben ik geworden zoals ik ben?”
Maar ook:
“Welke nieuwe ervaring heb ik nodig?”
Niet alleen: wat moet ik nog begrijpen?
Maar: wat heb ik misschien nog nauwelijks meegemaakt?
Een grens aangeven en merken dat iemand blijft? Steun ontvangen zonder er iets voor terug te hoeven doen? Zichtbaar zijn zonder te presteren? Een behoefte uitspreken zonder schaamte? Een conflict meemaken waarin de verbinding daarna wordt hersteld? Of gewoon rust ervaren zonder die eerst verdiend te hebben?
Waar eerdere ervaringen zich stukje bij beetje konden opstapelen tot verwachtingen van onveiligheid, kunnen nieuwe ervaringen ook stukje bij beetje bijdragen aan meer innerlijke en relationele veiligheid.
Verandering ontstaat niet alleen doordat we anders leren denken.
Ze ontstaat ook doordat we iets nieuws leren ervaren.
Misschien is dát basisvertrouwen
Ik heb jarenlang geprobeerd basisvertrouwen psychologisch en spiritueel te begrijpen. Maar voor mij is het uiteindelijk eenvoudiger geworden.
Het betekent niet dat ik ervan uitga dat alles goed zal gaan. Dat weet niemand. Het betekent ook niet dat iedere relatie veilig is, dat ik overal moet blijven of dat ik alles maar moet accepteren.
Soms moet je juist handelen. Een grens trekken. Nee zeggen. Of vertrekken wanneer iets werkelijk niet goed voor je is.
Basisvertrouwen betekent voor mij steeds meer iets anders:
Dat niet alles buiten mij eerst perfect hoeft te zijn voordat ik hier mag zijn.
Dat ik onzekerheid kan voelen zonder onmiddellijk alles te hoeven oplossen. Dat ik verdriet kan hebben zonder mezelf kwijt te raken. Dat ik iets niet weet zonder onmiddellijk een antwoord te hoeven verzinnen.
Dat ik iemand kan liefhebben zonder verantwoordelijk te zijn voor diens hele binnenwereld. Dat ik dichtbij iemand kan zijn zonder mijn eigen behoeften en grenzen te verloochenen. Dat ik steun kan ontvangen zonder mezelf zwak te vinden.
En vooral:
dat ik niet eerst een betere versie van mezelf hoef te worden om er nú te mogen zijn.
Misschien is dat ook de vraag die jij uit deze blog kunt meenemen:
Wat als basisvertrouwen niet betekent dat je alles onder controle hebt, maar dat je steeds minder hoeft te controleren, presteren, aanpassen of zorgen voordat je je veilig genoeg voelt?
Wat we niet vanzelfsprekend hoeven door te geven
Er zit voor mij nog een andere laag in dit proces.
Onze patronen beïnvloeden namelijk niet alleen hoe we onszelf ervaren of hoe we onze partnerrelaties aangaan. Ze kunnen ook van betekenis zijn in de manier waarop we als ouder beschikbaar zijn voor een volgende generatie.
Onderzoek naar de intergenerationele overdracht van hechting laat zien dat er een samenhang bestaat tussen de hechtingsrepresentaties van ouders en de gehechtheid van hun kinderen. Tegelijkertijd is die samenhang verre van één-op-één: de overdracht is niet vastgelegd en wordt door meerdere factoren beïnvloed.
Dat vind ik hoopgevend.
Want daarmee gaat het onderzoeken van je eigen geschiedenis niet alleen over terugkijken naar wat jij hebt gemist of meegemaakt. Het gaat ook over wat je vanaf hier anders kunt doen.
Wanneer je leert herkennen wanneer je uit angst gaat controleren, pleasen, presteren, zorgen of jezelf verliezen, ontstaat er ruimte om een andere beweging te maken.
Meer aanwezig zijn.
Meer herstellen na een conflict.
Een grens verdragen.
Gevoelens niet onmiddellijk hoeven oplossen.
Jezelf én de ander ruimte geven.
Wat we in onszelf leren herkennen en veranderen, hoeven we daarmee niet automatisch op dezelfde manier door te geven.
Je eigen geschiedenis onderzoeken gaat daarom niet alleen over jezelf.
Het kan ook betekenen dat je iets opruimt wat misschien al langer wordt meegedragen, zodat de generatie na jou vanuit een ander, veiliger fundament verder kan.
Voor mij raakt persoonlijke ontwikkeling daar aan iets groters.
Niet perfect worden.
Niet het verleden uitwissen.
Maar vrijer worden in wat je doorgeeft.
Vijftig meter van huis
Zo kom ik terug bij mijn fiets.
Jaren geleden zat ik op die stilteretraite. Alles om mij heen was stil. Behalve ik.
Mijn hoofd zocht, onderzocht, plande en dacht vooruit. Het probeerde te begrijpen. Probeerde ergens te komen.
Nu stap ik soms mijn huis uit, fiets vijftig meter — misschien iets meer — en stop.
Ik kijk om me heen. Voel de lucht. Mijn lichaam. Mijn voeten.
Er gebeurt niets bijzonders.
Juist dat maakt het bijzonder.
Er hoeft niets opgelost te worden. Geen bestemming. Geen project. Geen nieuw inzicht. Ik hoef geen betere versie van mezelf te bereiken.
Ik ben gewoon hier.
Misschien is dat wel wat al die uren meditatie uiteindelijk meebrachten in het gewone leven: dat ik minder automatisch weg hoef uit het moment waarin ik al ben.
Jarenlang zocht ik naar manieren om rust te regelen. Nu merk ik dat de verandering ergens anders zit.
Niet dat ik eindelijk álle voorwaarden voor veiligheid heb georganiseerd, maar dat ik steeds minder voorwaarden nodig heb om mezelf rust toe te staan.
Ik ben hier. Ik hoef nergens heen. Ik hoef niets te bewerkstelligen.
En voor dit moment is dat genoeg.
Misschien is dát voor mij basisvertrouwen geworden: niet de zekerheid dat er nooit meer iets moeilijks gebeurt, maar de ervaring dat ik niet voortdurend iets hoef te doen, dragen, controleren, bewijzen of een ideale versie van mezelf hoef te zijn voordat ik veilig genoeg ben.
Van veiligheid organiseren naar veiligheid ervaren.
En soms ontdek ik:
Die veiligheid is er al.
Bronnen en verdere verdieping
Appelo, M. (2020). Hecht niet: Verbeter je relaties als hechten echt niet lukt. Boom uitgevers Amsterdam.
Baten, C., Keller, A. S., Miller, C. H., & Sacchet, M. D. (2026). The functional neuroimaging of meditation: A quantitative whole-brain meta-analysis and systematic review. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 186, 106709.
Filosa, M., Sharp, C., Gori, A., & Musetti, A. (2026). A Comprehensive Scoping Review of Empirical Studies on Earned Secure Attachment. Psychological Reports, 129(3), 1807–1832.
Kersten, C. (2019). Rusten in Zijn – Doen wat je écht wilt. 4e druk. Centrum Zijnsoriëntatie.
Kersten, C. (z.j.). De bijzondere kracht van meditatie.
Kersten, C. (z.j.). Idealen, Compensatieprojecten en Rampen.
Niu, L., Gao, Q., Xie, M., et al. (2025). Association of childhood adversity with HPA axis activity in children and adolescents: A systematic review and meta-analysis. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 172, 106124.
Verhage, M. L., Schuengel, C., Madigan, S., Fearon, R. M. P., Oosterman, M., Cassibba, R., Bakermans-Kranenburg, M. J., & van IJzendoorn, M. H. (2016). Narrowing the transmission gap: A synthesis of three decades of research on intergenerational transmission of attachment. Psychological Bulletin, 142(4), 337–366.
Wang, J., Drossaert, C. H. C., Knevel, M., Chen, L., Bohlmeijer, E. T., & Schroevers, M. J. (2025). The mechanisms underlying the relationship between self-compassion and psychological outcomes in adult populations: A systematic review. Stress and Health, 41(4), e70090.
